Opstand van Roma in Bulgaarse stad

In de Bulgaarse stad Plovdiv hebben groepen Roma (zigeuners) drie dagen lang vernielingen aangericht uit protest tegen het besluit van het plaatselijke energiebedrijf, hen wegens wanbetaling af te sluiten van de stroomvoorziening.

De opstand begon maandag. Rond duizend Roma bekogelden huizen, auto's en bussen met stenen, bestormden en plunderden winkels en richtten barricades op van vuilnisbakken. Het `epicentrum' van de opstand was Stolipinovo, een van de drie Roma-(sloppen)wijken van Plovdiv, een stad met 450.000 inwoners, onder wie 35.000 Roma. Zij zijn het elektriciteitsbedrijf samen zes miljoen leva (rond drie miljoen euro) schuldig, geld dat ze zeggen niet te hebben omdat 70 procent van de Roma van Plovdiv geen werk heeft.

De officieel 290.000 (in werkelijkheid rond 600.000) Roma in Bulgarije behoren tot de absolute economische onderklasse, niet pas sinds kort, maar ook al tijdens het socialistische bewind van vóór 1989. In die tijd stonden scholen voor Roma-kinderen officieel te boek als scholen voor ,,mensen met een inferieure levensstijl'' en werden ze gebruikt als strafkolonies voor dwarsliggende onderwijzers. Van de Bulgaarse kinderen genoot negen procent hoger onderwijs, van de Roma-kinderen 0,1 procent. Nog geen vijf procent van de Roma-kinderen sloot de middelbare school af tegen 36 procent van de Bulgaarse kinderen.

De Bulgaarse Roma wonen in Sofia, in de zuidelijke steden Plovdiv, Kotel en Pazardzjik en in de noordelijke steden Razgrad, Montana en Vratsa. Ze zijn muzikanten, kachelmakers, tinsmeden, vatenmakers, smeden, makers van houten gereedschappen en houtskoolbranders. Na 1989 is de situatie van de Bulgaarse Roma alleen maar verslechterd. Wie werk had verloor dat bij de privatisering van bedrijven. Roma waren doorgaans de eersten die op straat kwamen te staan. In een rapport concludeerde de Raad van Europa in september 1998 dat de Roma werden gediscrimineerd in alle sectoren van het sociale leven. Negentig procent van hen was werkloos (tegen achttien procent van de Bulgaren). Van de Roma-kinderen leefde 85 procent van bedelarij, diefstal en prostitutie. De overheid richtte voor ,,vagabonderende'' Roma-kinderen tussen acht en achttien jaar oud ,,werkopvoedingsscholen'' in die in feite gevangenissen waren, zonder voldoende voedsel, met verplicht korvee, met een uitgaansverbod en zonder recht op post. Tachtig procent van de Roma is analfabeet of slecht opgeleid; diegenen die wel goed zijn opgeleid verloochenen hun Roma-afkomst als bescherming tegen een diepgewortelde discriminatie jegens Roma. Volgens Amnesty International worden Roma-arrestanten door de politie routinematig mishandeld en zelfs gemarteld. Andrej Terziiski van de Unie van Roma wees tijdens een congres over de situatie van de Roma op het feit dat negentig procent van de gevangenen in Bulgarije Rom is, terwijl maar een op de negen moorden en maar een van elke vijftien diefstallen door Roma worden gepleegd – cijfers die overigens worden aangevochten.

Opstanden als in Plovdiv komen in Bulgarije elk jaar op kleinere schaal voor, in de vorm van hongerstakingen, demonstraties en de bezetting van stadspleinen met tenten of wegblokkades. De diverse regeringen van Bulgarije onderkennen het Roma-probleem, maar geld voor verbeteringen is er nauwelijks. Sinds 2000 bestaan er, mede dankzij de Soros Stichting, `gemengde' scholen waar Roma-kinderen in hun eigen taal en waar boeken en schrijfmateriaal gratis zijn.