Ontwerper Van de Velde eerde het kleine

Zoals iedereen weet, hoort een koffiekop precies in het midden van een bijbehorend schoteltje te staan. Om ieder misverstand te voorkomen is daartoe in de schotel meestal een uitsparing ter grootte van de bodem van het kopje aangebracht. Het moet dus wel een non-conformistische geest zijn die deze uitsparing zo excentrisch plaatst, dat het ensemble een ongemakkelijk wiebelige indruk maakt. De Duitse ontwerpster Jutta Sika maalde daar kennelijk niet om, en haar ontwerp uit 1902 voor een kop en schotel, gedecoreerd met groene bladmotieven die je gemakkelijk zou kunnen associëren met het vrolijke design van de jaren zeventig van de vorige eeuw, is daarmee een mooi voorbeeld van de compromisloze vernieuwingen van de kunstnijverheid van omstreeks 1900.

Sika's opvallende ontwerp maakt deel uit van een kleine tentoonstelling in het Westfälisches Landesmuseum in Münster. Daar is een selectie te zien uit een particuliere verzameling gebruiksvoorwerpen in `Jugendstil' of `art nouveau'. De voor die stijl kenmerkende doelmatigheid in combinatie met esthetische kwaliteit, vaak met gebruik van gestileerde vormen en ornamenten, komt bij uitstek tot uiting in het werk van de Belg Henry van de Velde. De expositie, die ook zijn naam draagt, toont iets van Van de Veldes veelzijdigheid in enkele beroemd geworden ontwerpen voor meubels en een uit tientallen stukken bestaand servies. Maar Van de Velde eerde ook het kleine, zoals blijkt uit de typografie en de repeterende decoratieve motieven die hij ontwierp voor publicaties als Nietsches Also sprach Zarathustra (1908), of een etui voor visitekaartjes met een even simpele als aantrekkelijke, in het leer gedreven decoratie.

In vergelijking met de elegante stilering van Van de Velde, en van bijvoorbeeld een kleine bronssculptuur van zijn landgenoot George Minne of de lampenkappen van de Amerikaan Louis Tiffany, behoren werken van Duitse tijdgenoten tot een heel andere wereld. De lompheid van een brede bierpul wordt nog enigszins gecompenseerd door het tinnen deksel voorzien van een subtiel geabstraheerd uiltje, maar Bernhard Hoetgers potten van geglazuurd aardewerk zijn even weinig verfijnd als zijn bronzen beeldjes van boerse types.

Producten van de Nederlandse kunstnijverheid zijn in Münster niet voorhanden. De opmerking, in de catalogus van keramiek uit de periode 1880-1940 in de collectie van museum Boijmans Van Beuningen, dat op dit terrein de Nederlandse bijdrage aan 19de-eeuwse wereldtentoonstellingen vooral bestond uit bakstenen, dakpannen en pijpen, doet weinig goeds vermoeden. Maar uit een presentatie in het Rotterdamse museum, ingericht naar aanleiding van de catalogisering van dit deel van de collectie, blijkt dat de Nederlandse keramiek omstreeks 1900 een aardig partijtje kon meeblazen. Het is daarbij opvallend dat de variëteit in de Europese art nouveau zich weerspiegelt in het werk van Nederlandse ontwerpers en decorateurs.

Robuuste, vrijwel ongedecoreerde potten en schalen werden tot voor kort beschouwd als een `typisch Nederlandse' variant van de nieuwe kunstnijverheid. Maar de Rotterdamse catalogus en expositie laten zien dat sierlijke decoraties op elegant gevormde porseleinen vazen minstens zo kenmerkend zijn voor de moderne keramiekproductie in Nederland. Beide richtingen sluiten aan bij voorbeelden in de kunstnijverheid elders in Europa. In werkelijkheid ligt de bijzonderheid van de Nederlandse keramiek misschien meer in ontwerpen zonder precedent, zoals de bonte, half-abstracte, half-figuratieve beschilderingen van T.A.C. Colenbrander. Of de uit klei geboetseerde unica van Joseph Mendes da Costa, die een roodgeglazuurde klok maakte, ondersteund door twee hurkende clownfiguurtjes met puntmutsen. Drie collega's zitten als bobsleeërs dicht achter elkaar boven op het uurwerk. Het plezier waarmee Da Costa dit soort beeldjes moet hebben gemaakt, werkt nog steeds aanstekelijk. En het doet nergens zo geforceerd aan als het excentrisch op een schoteltje plaatsen van een koffiekop.

Tentoonstellingen: Henry van de Velde & Co; Objekte des Jugendstils aus der Sammlung SAM. Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Münster. T/m 21/4. Inl.: 0049-251-590701. Nederlandse art nouveau en art deco keramiek. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. T/m april. Catalogus (Uitg. Nai), 256 blz., E 31,76. Inl.: 010-4419400.