Onderwijsinspectie op glibberig pad

De inspectie gaat de godsdienstlessen op islamitische scholen onderzoeken. Wordt er voor het eerst getornd aan artikel 23 van de Grondwet?

Inderdaad, geeft onderwijsinspecteur Frans Janssens toe, het is een historische stap. Voor het eerst sinds 1917, toen de scheiding van kerk en staat voor het onderwijs in de Grondwet werd vastgelegd, gaat de Inspectie van het Onderwijs zich actief bezighouden met godsdienstonderwijs. Inspecteurs gaan godsdienstlessen op enkele verdachte islamitische basisscholen ,,systematisch analyseren, al zal het niet zo zijn dat we voortaan altijd achterin de klas zitten als er godsdienstles wordt gegeven.''.

Wat de inspectie waarschijnlijk de plannen zijn nog niet definitief wel gaat doen, is bij enkele verdachte scholen lessen observeren, lesmateriaal bestuderen en gesprekken met leraren en leerlingen voeren, op zoek naar mogelijk strafbare feiten. ,,De situatie geeft daar alle aanleiding toe'', zegt Janssens.

Nooit eerder bemoeide een inspecteur zich met het godsdienstonderwijs. Jannsens: ,,Maar de BVD heeft het vermoeden dat daar zich strafbare feiten voordoen en moet op zoek naar aanwijzingen daarvoor. Omdat wij de dagelijkse schoolpraktijk kennen, hebben zij ons opdracht gegeven het lesmateriaal te onderzoeken en met leraren en leerlingen te praten.

Gewoon een inspectiecontrole dus? Janssens wil het niet zo noemen. ,,Het gaat om een beperkt aantal islamitische basisscholen waar we een speciaal onderzoek verrichten. Als we structureel onderzoek zouden doen, zou dat inderdaad in strijd met artikel 23 van de Grondwet zijn. Dit onderzoek valt er wat ons betreft buiten.''

Daar denken de christelijke fracties in de Tweede Kamer anders over. CDA, ChristenUnie en SGP bestrijden deze vorm van overheidstoezicht op godsdienstlessen. Kamerlid C. Ross-Van Dorp (CDA): ,,Als er uit dat BVD-rapport nu strafbare feiten naar voren zijn gekomen, zou er nog over zo'n vergaande maatregel gesproken kunnen worden. Omdat in het rapport alleen vermoedens staan, vind ik inspectietoezicht veel te ver gaan.''

Inspecteur Janssens ziet verder nog een ,,positief neveneffect'' van het onderzoek. Als de inspecteurs andere zaken tegenkomen die weliswaar niet strafbaar maar in hun ogen toch niet deugdelijk zijn, kan de school daarop worden aangesproken. Het gaat hierbij om lesmateriaal dat verouderd is of `op het randje' is.

Janssens: ,,Dan kan de inspecteur de school daarop aanspreken. Als er bijvoorbeeld een film wordt vertoond met beelden die wij niet helemaal in de haak vinden, zullen wij dat de schooldirecteur ook melden. Daar hoeft geen aangifte op te volgen.''

Maar daarmee wordt het pad van de inspecteur nóg glibberiger, vindt Kamerlid M. Barth (PvdA). ,,Ik snap dat het openbaar ministerie gebruik maakt van de deskundigheid van de inspectie, maar de inspecteur moet zich buitengewoon terughoudend opstellen.''

Als de inspectie zich in de marge tóch gaat bezighouden met de inhoud van het godsdienstonderwijs, is zij volgens Barth ,,fout bezig''. ,,Daarvoor is mij de scheiding tussen kerk en staat te dierbaar.''

Haar collega Ross (CDA): ,,Dus dan hebben we stiekem toch staatsopvattingen over godsdienstonderwijs.''