MORMON CITY

Als het boven in de Rocky Mountains sneeuwt, regent het in Salt Lake City. Zo was het althans gisteren.

Terwijl de olympische skiërs bijna het zicht werd ontnomen door dichte sneeuwval, slenterden de olympische bezoekers in regenkleding door de natte straten. De resten sneeuw die er nog van een vorige sneeuwbui lagen, waren in korte tijd weg. Van een winterse sfeer, die men zo graag bij Winterspelen ziet, is nauwelijks sprake meer. Het is net of de Winterspelen langzaam uit Salt Lake City wegspoelen. De man met de lange baard, de lange haren en de verfomfaaide lange jas, die altijd op een bankje voor de shoppingmall Cross Roads lag, is weg. James heette hij. Dat heeft hij me verteld. Hij lag daar omdat hij geen geld heeft, geen familie en geen huis. Ze lieten hem daar met rust. Hij lag daar maar, soms sliep hij, misschien wel dronken, want alcohol is in de mormonenstad ook weer niet zo moeilijk te krijgen als wel wordt gezegd. Ik heb hem eens een dollar gegeven en vroeg zijn naam. Why, vroeg hij. Nou, omdat ik dacht dat hij het wel kon gebruiken. Natuurlijk kon hij het wel gebruiken. Maar wat moest hij met één dollar? Hij wilde er tien, liefst honderd en als het even kon duizend. Dat ik zoveel niet bij me had, wilde hij niet geloven. Hij noemde me een gierigaard, een huichelaar, een lafaard. Hij begon te schelden. Maar waarom, vroeg ik. Omdat die Olympics voor rijke mensen zijn, zei hij wild. Voor mensen die geld hebben. Mensen die geld hebben organiseren het om nog meer geld te verdienen. Mensen die geld hebben kunnen meedoen en mensen die geld hebben kunnen een duur kaartje kopen. Zijn verklaring hield me een nacht wakker. Nu is hij weg, weggespoeld door de regen. Ik ga hem zoeken. Dan geef ik hem honderd dollar voor een kaartje en neem hem mee naar de ijshockeyfinale. Een man zonder familie, geld en een huis gun ik dat spektakel als geen ander.