Kost en Inwoning

Blokzijl

Verscheidene dagen geleden neuriënd naar Blokzijl

gefietst.

Wind mee, zonnig weer.

Heel wat gezien onderweg: auto's en boeren en bossen en

veulens in de wei.

Vooral veel veulens in de wei.

En hier en daar een molen in de verte.

En bij Nijkerk was iemand overreden, een vrouw geloof ik.

Ook nog een paar keer afgestapt om koffie te drinken.

Geen bier; daar word je zo loom van.

J. Goudsblom (geb. 1932)

De academie en de poëzie, soms botert het, soms botert het niet. 't Is voor de academie moeilijk wennen dat je voor poëzie geen verstand nodig hebt. Een dichter kan er baat bij hebben als hij niet al te veel weet. Je hebt dichtende boeren en dichtende vuurvreters, en zelden zorgde de academie voor een poëtische revolutie.

Je had ooit de academisten in de literatuur, het moet in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geweest. Dat was een journalistieke verzamelnaam voor een groep schrijvers die blijkbaar geen al te vlotte en frivole indruk maakte. Het had weinig te maken met de academie.

Toch scharrelen er aan de universiteit wel enkele dichters rond. Het is vaak onduidelijk of er een osmose plaats heeft tussen hun geleerde en poëtische vermogens. Ik heb gehoord van een dichter die al een mensenleven op de universiteit rondhangt, die daar niets wetenschappelijks van belang heeft gepubliceerd en op zijn vakgebied geen enkele ontdekking heeft gedaan, die zich door al zijn leerlingen als hoogst oninspirerend wordt herinnerd en die niettemin met zijn twee, drie bundeltjes de grote mars heeft gemaakt door alle denkbare literaire commissies en jury's van het land, zijn huisvrienden nijver klontjes toestoppend, maar verder lui in de literatuur en lui in de academie.

Type T. van Deel dus.

Dichters die er de kantjes aflopen en die met hun schaarse talent en hun buitensporige kleefvermogen de universiteit een slechte naam hebben bezorgd.

Zelfs T. van Deel kan ons niet definitief doen kokhalzen. Er blijft een band bestaan, een dunne maar traditionele en tedere band, tussen de hogeschool en de dichtkunst. Noemde Piet Paaltjens zijn Snikken en grimlachjes in de ondertitel niet Academische poëzie?

Dat maakt veel goed.

Er is nog een soort universitaire dichters waarvoor ik een zwak heb. Allemaal types die op hun eigen gebied belangrijk werk hebben verricht en die ook in de poëzie voor een eigen geluid soms maar een geluidje hebben gezorgd.

Dat `eigen gebied' was nooit de moderne letterkunde en dat `eigen geluid' klonk altijd een beetje dwars.

Dichters als N.E.M. Pareau en Jan Emmens, om er een paar te noemen. Dichters als Wilfred Smit en J.C. Noordstar. Misschien hoort ook J.P. Guépin er een beetje bij, al valt bij hem het poëtische en wetenschappelijke werk moeilijker te scheiden. Twee juristen, een kunsthistoricus, een slavist en een classicus.

Onze poëzie zou arm zijn als ze niet bestonden.

Hun verzamelde poëtische werk is bescheiden, ze kenmerken zich door een schoorvoetende houding jegens de officiële poëzie en toch betekent voor elk van hen de poëzie iets wezenlijks, iets wat buiten hun wetenschap staat maar zeker niet lager ze stellen zich op als amateurs, maar beheersen het metier meteen beter dan de professionals.

Natuurtalenten, met de pech tussen de muren te zitten van een cultuurbolwerk.

J. Goudsblom hoort hier zeker bij. Ook bij hem, auteur van grote boeken op sociologisch terrein, die ietwat reverentiële houding jegens de literatuur. Niet dat hij aan een overmatig respect voor Nederlandse dichters zou lijden, het is eerder het instinctieve besef dat kunst begint waar wetenschap ophoudt. Goudsblom doet of de literatuur voor hem een tijdverdrijf is, een te wijde jas voor een nuchtere wetenschapper, maar intussen heeft hij wel degelijk oog voor de ernst en de authenticiteit ervan. Reserves, een typerende titel voor zijn literaire verzamelbundel.

In Reserves, dat uit 1998 stamt, staat Pasmunt uit 1958 herdrukt, een bundel met als ondertitel Aforismen, versjes en notities.

Versjes!

Het zijn er bovendien maar een paar, waaronder het welbekende kwatrijn

Mijn beter ik en ik

streden erop of eronder.

Mijn beter ik bezweek,

nu ben ik, goddank, zonder

fraai dat iemand maar tien gedichten heeft geschreven en dat er eentje klassiek van is. Tien procent van je werk bij je leven al klassiek, kom er eens om bij de nijvere Van Deeltjes.

Blokzijl komt uit hetzelfde Pasmunt.

De woorden lijken ontdaan van alles wat poëzie is en toch is het poëtisch effect verbluffend. Dat totaaleffect berust op stiekeme neveneffecten die je moeilijk kunt uitleggen. We moeten niet krampachtig proberen er hogere poëzie van te maken, maar we doen het gedicht groot onrecht aan door ons uitsluitend te fixeren op het lulligheidsgehalte.

De naïeve dagboektoon die meteen al een elegische cadans krijgt

Heel wat gezien onderweg: auto's en boeren

en bossen en

veulens in de wei

ja, dat moet de schrijver zelf ook gecharmeerd hebben, maar het blijkt sterker dan hem, de wanhoop sluipt binnen, de wanhoop van de hopeloos vele veulens, de wanhoop van het En hier en daar en het En bij Nijkerk. En ook nog eens een molen. En ook nog eens een vrouw. Of misschien iets anders? En ook nog een paar keer afgestapt.

Het komt er op neer dat je van bier loom wordt. Uiteindelijk blijkt Blokzijl een praktijkverhaal met een moraal: een fabel dus.

En nooit in de Nederlandse poëzie heeft het woord neuriënd er zo mooi bijgestaan.