Fluitconcerten

Wie de Nederlandse fluitconcerten van Johann Wilms (1772-1847), Johannes Coenen (1825-1899) en Theo Verhey (1848-1929) beluistert, denkt aan de 19de eeuw, ruwweg aan de periode tussen Beethoven en Bizet. Toch staat Verheys Opus 57 uit 1907 al met één teen in de 20ste eeuw. In hetzelfde jaar immers componeerde Schönberg de eerste atonale muziek. In concerten echter kriebelt nu eenmaal zelden de tijdgeest, het gaat om speelplezier en dat is dat.

En dan is er bij Verhey veel te halen, zeker in het Frans georiënteerde Eerste fluitconcert in d Opus 43 dat geïnspireerder is uitgevallen dan het Tweede.

Met glinsterende watervallen aan spetterende notenslierten is het bovendien gevat in een uitgesproken muzikale context. Fluitist Jacques Zoon voelt zich hier als een vis in het water. Hij treft een puntig musicerend Radio Kamerorkest aan zijn zijde.

Wilms' Concertino in g is saaier, een combinatie van Beethoven en Biedermaier, maar hij kent het instrument nog beter en schreef er zes keer zoveel muziek voor. Coenens bijdrage aan de fluitliteratuur is weer beperkter. Zijn Nocturne pour solo flûte avec orchestre betreft niet meer dan een aan Niels Gade herinnerende mijmering. Het is Verheys Opus 43 dat elk provincialisme overstijgt en recht overeind blijft naast de al even zwierige concerten van Saint-Saëns en Cécile Chaminade.

Fluitconcerten van Verhey, Coenen en Wilms, Jacques Zoon fluit en Radio Kamerorkest o.l.v. Thierry Fischer NM 92069