Voor Geesink is er elke dag wel wat

IOC-lid Anton Geesink beheert in Salt Lake City een olympisch klachtenbureau. Waarnemers brengen bij hem rapport uit over problemen op de locaties. ,,Prachtig toch, deze plek?''

In het kantoortje van Anton Geesink in Hotel Little America komen en gaan belangrijke mensen. Staatssecretaris Margo Vliegenthart, directeur sport van WVC Rob de Vries en voorlichter Gert Riphagen staan op het punt hun officiële bezoek aan de Delegate of the Games af te ronden. Vliegenthart betast haar gezwollen oog, een pijnlijke zij en een zeurend been als gevolg van een botsing op de skipiste. Geesink trekt zijn broek nog eens op. Hij transpireert, want het IOC-lid heeft het druk.

Trots leidt Geesink ter afsluiting van het officiële bezoek het prominente gezelschap naar de belendende conferentiezaal, waar hij elke dag om vijf uur met de belangrijkste IOC-leden, -bestuursleden en olympische organisatie van Salt Lake City de gang van zaken van die dag op de olympische locaties evalueert. Geesink gaat op de stoel achter zijn naambordje zitten en zegt tegen zijn bezoek: ,,Hier zit ík dan. En daar IOC-president Rogge en daar Romney van het organisatiecomité van Salt Lake. Schitterend toch, deze plek.''

Wanneer het WVC-gezelschap zich naar de ijsbaan spoedt om de Nederlandse schaatsers aan te moedigen, vertelt Geesink dat hij zich gestreeld voelt door het bezoek van de staatssecretaris en de haren. Sinds hij op de Winterspelen van 1992 tot delegate is benoemd, heeft hij nooit officieel regeringsbezoek gehad. Hij voegt eraan toe: ,,Ook de bestuursleden Brink en Faber van NOC*NSF waren hier. Ook dat is voor het eerst: een NOC-delegatie die komt informeren naar mijn werk tijdens de Spelen. Het is niet alleen een vorm van beleefdheid, maar voor mij ook een teken van waardering.''

Wat doet hij dan? Geesink vraagt secretaris Martin Franken de papieren te halen waarin zijn taak staat vermeld. De delegate neemt elke dag de rapporten in ontvangst die 45 geselecteerde en door voorzitter Rogge geaccordeerde IOC-leden hebben gemaakt aan de hand van hun waarneming op de diverse olympische locaties. Geesink toont een formulier: 1. De sterke punten; 2. De zwakke punten; 3. Een voorstel om het probleem op te lossen. Geesink verzamelt ze, analyseert ze en maakt er een rapport over dat dan tijdens de `grote vergadering' om vijf uur wordt voorgelegd, liefst met oplossing.

Geesink toont voorbeelden. ,,Bij deze locatie waren na de skispringwedstrijden grote opstoppingen op de parkeerplaatsen. We hebben voorgesteld de parkeerplaatsen te wisselen. Dat is dan gebeurd. Uit een ander rapport bleek dat tussen de laatste schaatsrit en de Flower Ceremony (de officieuze huldiging van de winnaars) te veel tijd zat, waardoor het publiek al weg ging. De atleten kregen daardoor niet de eer die ze toekomt. De tussentijd is nu verkort en de stadionspeaker moet zorgen de mensen binnen te houden. Zo is er elke dag wat.''

Hij krijgt rapporten uit het olympisch dorp, over klachten over het eten, over de verwarming en zo verder. Soms, zegt Geesink, voelt hij zich ter verantwoordinng geroepen. Zoals na de ceremoniële ontvangst van de Nederlandse afvaardiging in het olympisch dorp, waarbij slechts twee officials en geen enkele sporter aanwezig waren; of na de openingsplechtigheid, waarbij voor het grootste deel officials, begeleiders en andere Nederlanders, maar nauwelijks sporters aanwezig waren. ,,IOC-bestuurslid Kevin Gosper zei dat zoiets een slechte zaak was. Ik heb hem gezegd dat dat niet mijn verantwoordelijkheid is, maar die van de Nederlandse ploegleiding. De volgende dag vroeg Gosper me er weer naar. Ik zei hem dat wat er ook is gebeurd, de sporters geen blaam treft. Zij zijn niet verantwoordelijk, dat is de ploegleiding en het bestuur. De directeur van een bedrijf is ook verantwoordelijk voor wat zijn werkgevers doen.''

Hoe het had gemoeten: ,,Wat je tijdens verplichte plechtigheden doet, moet je van tevoren bespreken. Als het NOC*NSF-bestuur de ploeg overdraagt aan de chef de mission moet duidelijk zijn wat er gaat gebeuren en wie de vlag draagt. Nu krijgen de sportmensen de schuld. Het is onverschilligheid, zeg maar arrogantie, om gewoon te doen waar je zin in hebt.'' Tja, daar heb je Geesink weer. ,,Hoezo? Iemand moet het zeggen! En als ík het zeg, is het weer Geesink. Waarom kijken ze niet naar hun eigen fouten?''

Hij vertelt over de sluikreclame waarvoor de Nederlanders zijn berispt: de supporters in het schaatsstadion met muts en kleren met sponsornamen en de wegwijzer van het Holland House waar Heineken op stond. ,,Een waarnemer heeft het aangekaart. Ik waarschuw de Nederlanders, anders krijgen ze straf. En dan gaat Blankert (voorzitter van NOC*NSF, red.) mij betichten. Ik doe mijn werk en waarschuw ze. Als ik niks zeg, krijgen ze een boete.''

IOC-lid Dick Pound uit Canada meldt zich in het kantoor en vraagt hoe de zaken gaan. Dan komt IOC-lid Kipjoge Keino uit Kenia binnen om het beloofde boek `Tot Hier en Niet Verder' (auteur Anton Geesink) op te halen. Bob Hunter, zijn chauffeur, meldt zich. Hij gaat de delegatie en zijn secretaris naar de schaatsbaan brengen. Hunter kent Geesink al jaren. ,,Hij is mijn favoriete IOC-lid. Zeven jaar geleden was hij hier en heeft hij op scholen voordrachten gehouden over sport en judo. Morgen gaan we naar een padvindersgroep en een tehuis voor daklozen. Anton doet gewoon, dat waardeer ik.''

Hunter is een mormoon, hij is een oud-mormonenbisschop, oud-burgemeester van Ogden en hij heeft een stichting opgezet ten behoeve van daklozenhulp. In de Official Olympic Car, op weg naar de schaatsbaan, wordt luid gesproken over de rapportages. Hunter corrigeert namelijk de Engelse rapporten en brieven van Geesink aan de coördinatie-commissie van het IOC – een vriendendienst.

Plotseling duikt uit de laadruimte een Japanner op. ,,Dat is een dakloze'', zegt Geesink in plat-Utrechts. ,,Een oude vriend van me die met een Nederlandse is getrouwd. Ik verzorg hem hier, hij mag overal mee naar toe, als hij maar luistert. Vroeger was hij een karateka. Daar ken ik van hem van.'' De man stelt zich voor en laat zijn olympische accreditatie zien: ,,Nokyaki Onno.'' Ja, hij was vroeger een karateka. ,,In 1982 was ik wereldkampioen. Maar niet belangrijk, deden maar veertien landen mee.'' Geesink lacht: ,,Dat is meer dan bij het schaatsen. Hij is bescheiden. Ik help hem wel.''