Strafdrempel

Ieder het zijne geven, was volgens de oude Romeinen al het hoogste streven in de strafrechtspleging. Het CDA heeft daar minder boodschap aan. De nieuwe lijsttrekker Balkenende bepleit de invoering van wettelijk verplichte minimumstraffen voor zedendelicten. Zonder aanzien des persoons. Het is een oude wens van de christendemocraten, die daar echter weinig handen voor op elkaar hebben gekregen. Met reden. Wettelijke minimumstraffen vormen een gevaar voor het justitiële systeem van `checks and balances'. Ze staan haaks op een belangrijk kenmerk van de Nederlandse strafrechtspleging: een menselijke maat.

Ons strafrecht kent bijzondere strafmaxima om de relatieve ernst van elk delict tot uitdrukking te brengen. Voor moord is dat twintig jaar of levenslang, voor gewone diefstal vier jaar, voor diefstal met braak zes jaar, enzovoorts. De rechter mag daar niet boven gaan. De ondergrens is echter voor alle delicten gelijk: één dag celstraf of 2,30 euro. De grote ruimte voor de straftoemeting die daardoor ontstaat is geen vrijbrief, maar juist een aansporing in ieder vonnis de juiste mix van strafverzwarende en -verzachtende omstandigheden te zoeken.

De Nederlandse strafrechtspraak in actie geeft geen enkele aanleiding tot het inbouwen van wettelijke strafdrempels. Daarom gooit de CDA-leider het over de Europese boeg, die wel zou verplichten tot strafdrempels. Maar juist op dit punt lopen de meningen binnen Europa duidelijk uiteen, zoals de regering nog in december rapporteerde. De doorzichtige poging tot selectief Europees winkelen van de CDA-leider illustreert de zwakte van zijn pleidooi. Als Balkenende werkelijk meent wat hij zegt, moet het hele strafrecht op de schop. Het is een elementaire eis van rechtsgelijkheid dat het niet bij zedendelicten kan blijven. Stel je voor: voor ieder delict, van moord tot bedriegelijke bankbreuk, dient de wetgever een speciale, afgewogen strafdrempel te formuleren. En dan maar klagen over de toenemende `juridisering'.

Het grootste bezwaar tegen het onbekookte plan van Balkenende is dat het een motie van wantrouwen tegen de onafhankelijke rechter vormt. Een pervertering van het primaat van de politiek. Die is al bezig haar greep op het openbaar ministerie – tussenpersoon tussen bestuur en rechter – te versterken. Van de onafhankelijke rechter moet Den Haag afblijven. Al was het alleen omdat iedereen de kans loopt vroeg of laat met een rechter te maken te krijgen.