MORMON CITY

Als ik de bus uitstap die me dagelijks van het hotel naar het Media Center in het centrum van Salt Lake City brengt, sluit ik me keurig aan bij de collega's die staan opgesteld voor de security check. De manier waarop de soldaten in camouflagetenue mijn tas doorzoeken, me vragen mijn laptop te openen en mijn mobieltje aan en uit te doen, bevalt me steeds minder. Morgen sla ik zo'n soldaat met zijn metaaldetector, waarmee hij me steeds van onder tot boven met een stalen gezicht minutenlang betast, voor zijn brutale, kort-Amerikaans geschoren kop. Nog twee dagen en ik zeg dat er een bom in mijn laptop zit. Terwijl ik me sta op te winden, zie ik twee bekenden aan komen lopen. Kevin Gosper, vice-voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, en Juan Antonio Samaranch, ex-voorzitter van het IOC. Samaranch, 81 jaar en sinds een half jaar geen voorzitter meer, ziet er oud uit. Ik groet hem en geef hem een hand. Ik vraag hoe het met hem gaat en zeg dat het jammer is dat zo weinig mensen hem herkennen. Samaranch kijkt op, op zijn gezicht verschijnt na een aarzeling een lach. Hij vraagt waar ik vandaan kom. Uit Holland, zeg ik, het land van Anton Geesink. En of ik hem eens mag opzoeken om te praten over vroeger. Samaranch lacht, in zijn gelooide gezicht verschijnen duizend rimpels. Ik mag langskomen, zegt hij, maar moet er niets van verwachten. ,,Ik heb niets meer te zeggen. Ik ben geen president meer, ik ben een oude man die snel wordt vergeten.'' Als ik aandring op een gesprek zegt hij: ,,Ik ben verheugd dat u me herkent. Na twintig jaar voorzitter te zijn geweest, mis ik dat soms.'' Nog één vraag. Of hij die Amerikaanse soldaten niet kan kalmeren. Samaranch kijkt naar de lange rij en zegt: ,,Toen ik president was, kon ik wat doen. Maar ik ben geen president meer. Ik heb niks meer te zeggen, nergens meer.'' Jammer.