De Europese hysterie

President Bush treurt er niet om als de Europese vrienden kritiek op hem hebben. Hij heeft er juist plezier in, al kan hij zich ook wel eens ergeren aan de ,,Europese elites'' die met ,,knikkende knieën'' hebben gereageerd op zijn ontmaskering van de As van het Kwaad, meldt de New York Times uit Washington. Newsweek laat Europeanen als de ministers van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer en Hubert Védrine weten dat ze met ,,misplaatste hysterie'' hebben gereageerd. De Europeanen zouden eerst wat meer aan hun eigen defensie moeten doen, om weer recht van spreken te krijgen. Dit Amerikaanse bewind heeft genoeg van laffe en ontwijkende praatjes uit de Europese hoofdsteden. Dat is de teneur in Washington.

De grote meerderheid van de Amerikaanse publieke opinie kan het volgen. Vijf maanden na de aanval is Bush de populairste president uit de geschiedenis. Hoe sterker hij zich gedraagt, hoe meer hij in zijn rol groeit; en zijn partij groeit mee. In november zijn de tussentijdse verkiezingen. De Republikeinen staan op een ruime voorsprong. De Europeanen kunnen argumenteren, jammeren wat ze willen, niets zal dit bewind beletten de lijn van na elf september verder te volgen. Want het succes is bewezen. Er zijn maar twee mogelijkheden: òf het internationaal terrorisme zal nog eens een grote aanslag plegen, wat een harder antwoord tot gevolg heeft, òf het laat niets meer van zich horen waarmee de juistheid van dit antwoord bewezen wordt geacht.

Bush is als unilateralist aan zijn presidentschap begonnen. Na de elfde september is hij het gebleven. Het heeft hem uitsluitend successen gebracht. Naarmate de resultaten beter worden, nemen de bereidheid tot overleg, de vatbaarheid voor kritiek af. Meer unilateralisme ligt in het verschiet. Bush dat is dus de supermacht die volgens de directieven van zijn bewind handelt is tot nader order permanent.

Wat hebben de Europeanen eigenlijk tegen deze supermacht die kennelijk het monopolie van de overwinning heeft? Chris Patten, commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen van de Europese Unie heeft het omstandig en diplomatiek uitgelegd. (Opiniepagina, 19 februari). Niet dát Amerika de strijd tegen het internationale terrorisme heeft aangebonden. Het gaat over de manier waarop. Irak is een ander geval dan Iran of Noord Korea. Uitoefening van macht, legt Patten geduldig uit, hoort met diplomatie gepaard te gaan, en iedere tegenstander of potentiële tegenstander vergt een andere politiek. Wie de strijd voert volgens de strikte moraal, zonder overwegingen die door doelmatigheid worden ingegeven, wie met verpletterende overmacht het `wie niet voor ons is, is tegen ons' in de praktijk brengt en dit met verwijzing naar beginselen – heeft de politiek verlaten voor een kruistocht. Met die woorden zegt Patten het niet, maar het is wel de kern van zijn betoog.

Dit is ook de oorzaak van het fundamentele verschil dat Amerika en Europa nu onweerstaanbaar verder uit elkaar drijft. Niet de Amerikaanse superioriteit, niet het Amerikaanse leiderschap, waaraan Europa al bijna een eeuw gewend is, maar de manier waarop het nu wordt gebruikt, wakkert het altijd smeulende anti-Amerikanisme aan.

Deze president hoort naar Europese maatstaven niet tot het gebruikelijke type waarmee, met ups en downs, te leven valt. Hij verschilt oneindig veel van Clinton, is ook ver verwijderd van zijn vader. Hij staat, meer nog dan Reagan, voor een Amerikaans conservatief complex dat Europa hoe langer hoe vreemder is geworden.

Zijn buitenlandse politiek is daarvan één van de vele componenten. Bush en zijn belangrijkste ministers zijn ook vertegenwoordigers van corporate America, dat het hart en de motor van de economische mondialisering is. Ze zijn ook verdedigers van een negentiende-eeuws individualisme met als bolwerk de National Rifle Association. Ze vertegenwoordigen ook een steil puritanisme, zoals dat tot uitdrukking komt in `de oorlog tegen de drugs', en meer nog in alles wat met geboortebeperking te maken heeft. (Minister Powell van Buitenlandse Zaken is in moeilijkheden geraakt door een pleidooi te houden voor condooms als middel tot het voorkomen van aids.) Ze zijn, met minister Ashcroft van Justitie als exponent, oudtestamentisch in hun voorliefde voor de doodstraf.

Amerika heeft weer een ideologische president met fundamentalistisch-calvinistische trekken en een missie voor de wereld. Dat maakt het voeren van een politiek die compromissen eist, waar geschipperd moet worden al moeilijker. Maar er komt een probleem bij. Het voorbeeld is niet volmaakt. Corporate America heeft ook het Enron-schandaal gebaard. De overvloed van vuurwapens houdt ook verband met het vrije schieten als een van de belangrijkste doodsoorzaken. De doodstraf, blijkt achteraf, wordt ook weleens aan de verkeerde persoon voltrokken. Afkeer van voorbehoedmiddelen leidt tot het grootste aantal alleenstaande moeders. Zo blijkt het fundamentalisme naar het model van Bush jr. nog meer verborgen gebreken te hebben.

Die inconsequenties deren de president onder deze omstandigheden niet. Het is oorlogstijd. Zo wordt het in Amerika ervaren. In Europa is het na de overwinning in Afghanistan op zijn hoogst nog een theoretisch besef. Daarbij komt dat in dit deel van de wereld het complex van het harde conservatisme, waarvan Bush jr. een uitgesproken vertegenwoordiger is, zich hier alleen in afgelegen gebieden handhaaft. En dan wordt in Europa altijd weer de kracht van het Amerikaanse patriottisme onderschat. Democraat of Republikein, links of rechts, men voelt zich daar in tijden van nood met grote energie Amerikaan. Zo'n tijd is het nu.

Dat zijn drie factoren waardoor hier het anti-Amerikanisme toeneemt. En de vierde is, dat zoals is gebleken dit een van de laatste zorgen van deze president is.