Pathaanse boeren wachten op regen

Boeren op het arme Pakistaanse platteland proberen nieuwe wegen te vinden om de welvaart te vergroten. Maar voorlopig is het wachten op voldoende regen.

Aman Khan heeft zich nooit erg druk gemaakt om het weer. Maar nu, op 61-jarige leeftijd, kijkt hij verlangend naar de wolken die komen aandrijven over de blauwe bergen. ,,Een millimeter regen scheelt 10.000 rupees [ongeveer 200 euro] aan inkomsten'', zegt hij, terwijl hij wijst op de tarwevelden rond Jhanda.

Sommige akkers zijn diepgroen, op andere stukken groeien slechts enkele armzalige sprietjes. Het verschil wordt gemaakt door de aanwezigheid van water. Maar ook door vakmanschap. ,,Ik ben pas in december begonnen met zaaien terwijl dat al halverwege november had gemoeten'', zegt Khan. ,,Dat was een blunder.''

Khan is nog niet zo lang boer. Pas vorig jaar trok hij zich terug uit de leiding van zijn softwarebedrijf. Daarvoor was Khan wetenschappelijk medewerker aan de Technische Hogeschool in Eindhoven (19661973), hoogleraar in Peshawar en automatiseerder bij de Nationale Bank van Pakistan.

Jhanda ligt in een lieflijke vallei, niet ver van de brug over de Indus, die de grens vormt tussen Punjab en de North Western Frontier Province. Hier wonen Pathanen die gewend zijn hun eigen zaken te regelen. Nog niet zo lang geleden wilde de Pakistaanse politie een post in de vallei vestigen, maar dat hielden ze tegen. ,,De politie is corrupt. Pathanen zorgen zelf wel voor de openbare orde.''

Dat Khan en zijn Nederlandse vrouw hun oog hebben laten vallen op Jhanda, is geen toeval. Zo'n 150 jaar geleden stuurde Khans betovergrootvader zijn twee zonen over de bergen naar de vallei om die gewapenderhand in bezit te nemen. De oudste zoon, Khan Bahadur (de Dappere), trok na de geslaagde missie, ergens tussen 1860 en 1870, naar Delhi, waar hij uit naam van de Britse onderkoning de titel van khan (dorpsoudste, leider) kreeg. De jongste zoon, Fateh Khan (de Veroveraar), vestigde zich aan de westkant van de vallei. Aan hem werd de bescherming toevertrouwd van de inwoners van de vallei tegen aanvallen van Pathaanse stammen.

Aman Khan stamt af van de jongste Khan. ,,De Khan is weer terug'', zegt hij spottend als we via een kloof de vallei binnenrijden. Nadat eerst de Britten en later de `moderne beschaving' doordrongen in de North Western Frontier Province, is ook de vallei beetje bij beetje uit zijn isolement geraakt. De `Khan' is er niet langer de opperbaas. Veel ambachtslieden (timmermannen, smeden, wevers, schoenmakers) die door Khans voorouders naar de vallei werden gehaald, zijn vertrokken. Lemen huizen hebben plaatsgemaakt voor stenen gebouwen.

Maar nog steeds dwingt de naam Khan respect af bij de lokale bevolking. En wat ook gebleven is, zijn de legendes. De `gewone' dorpelingen worden begraven op een gemeenschappelijke dodenakker. Deze zondag zijn tientallen mannen en jongeren bezig met het metselen van een zerk. Dat gebeurt in opperbeste stemming, de bezoekers worden uitgenodigd om een kopje thee mee te komen drinken. De Khans hebben hun eigen begraafplaats, waar de graven iets groter zijn en veelal getooid met witte stenen met inscripties.

Maar de `heiligen' hebben aparte graven in het veld. Onder een oude boom is bijvoorbeeld de rustplaats van Shaheed Baba versierd met witte stenen. Het verhaal gaat dat hij een eeuw geleden vanuit de bergen in het westen de vallei binnen kwam lopen, met zijn hoofd in zijn handen. Toen iemand deze verslagen krijger zag en zijn naam riep (`De man zonder hoofd'), viel hij ter plekke neer. Sindsdien is geen ongewenste indringer meer de vallei binnengetrokken. Wie het wel zou proberen, wordt blind op het moment dat hij het graf voorbij loopt. Regelmatig komt er een leeuw om de rustplaats met zijn staart schoon te vegen. Het verhaal klopt, want nog steeds tonen ouders in het dorp, allemaal vrome moslims, hun pasgeboren kinderen aan de `heilige' om zijn zegen af te smeken.

Als zijn nieuwe boerenbedrijf eenmaal goed loopt, wil de teruggekeerde Aman Khan de omgeving van het graf opnieuw beplanten, zodat het zijn oude luister terugkrijgt. Maar voorlopig is hij bezorgd over het water. Al drie jaar achtereen heeft het nauwelijks geregend in de winter, als de tarwe wordt gezaaid. Dat is fnuikend voor het gewas. Maar ook de akkers die worden bevloeid via uitgestrekte stelsels van betonnen en aarden geulen, hebben te lijden onder watergebrek. Her en der bij de ommuurde boerderijtjes rond het dorp, waar vrouwen vrijwel onzichtbaar blijven voor `vreemde' mannen, zijn diepe waterputten gegraven. Maar ook op een diepte van 18 meter is nauwelijks nog grondwater. In sommige putten zijn pijpen geslagen die tot een diepte van 30 meter gaan. In `normale' jaren vloeit het water uit de ondergrondse troggen vanzelf naar boven tot het grondwaterpeil, waarna het naar boven wordt gepompt om de akkers te bevloeien. Maar na de aanhoudende droogte persen de pruttelende dieselmotoren slechts een bescheiden stroompje water uit de leiding.

Khan overlegt met de acht boeren die hij in dienst heeft genomen om de dertig hectare land te laten bewerken die hij heeft geërfd. ,,Dit eerste jaar heb ik het verdomd slecht gedaan'', weet hij. ,,De boeren hier zijn verbaasd dat uit de mond van een Khan te horen.''

Met hun medewerking hoopt Khan dat het de komende jaren beter zal gaan. Inshallah komt er het volgend zaaiseizoen meer regen. Maar Khan wil zich daar niet geheel afhankelijk van maken. Hij heeft zijn medewerkers gevraagd een dam te bouwen in de natuurlijke bedding die langs het dorp kronkelt. Als komende zomer de moesson het riviertje doet overstromen, hoopt hij daarmee genoeg water vast te houden tot er weer gezaaid moet worden en de akkers vochtig moeten zijn.

Ook is hij van plan om elk jaar een deel van zijn velden te beplanten met sinaasappelbomen. Die kun je doelgericht water geven, zodat er minder nodig is. Bovendien leveren sinaasappels meer op dan tarwe, heeft Amam Khan berekend. ,,Als de omstandigheden goed zijn, krijg ik 40.000 rupees per hectare voor mijn tarwe. De kosten zijn ongeveer 15.000 rupees zodat ik 25.000 rupees overhoud. Sinaasappels leveren mij 100.000 rupees per hectare op. Daarvan houd ik na aftrek van de kosten ongeveer 60.000 rupees over. Ik moet wel vijf tot zes jaar wachten totdat de bomen vruchten gaan opleveren, maar het lijkt mij toch een zeer aantrekkelijke investering'', zegt hij. ,,U ziet hoe delicaat de watervoorziening is. Voor de boeren hier is het een kwestie van leven of dood. Ik kan het mij veroorloven investeringen te doen en mislukkingen te incasseren. Als ik wat geld verlies, is dat jammer. Maar als het lukt, zul je zien dat boeren hier mijn voorbeeld zullen volgen en dammen zullen aanleggen en sinaasappelbomen planten. Zo hoop ik mijn bijdrage te leveren aan deze gemeenschap.'' De boeren in loondienst knikken. ,,Als ze het onzin vinden, zullen ze dat heus wel zeggen. Ik heb hun op het hart gedrukt kritiek te leveren op de Khan als dat nodig is.''