Nieuwe regeling koninklijk huis deugt niet

Het kabinet wil het koninklijk huis verkleinen. De ministeriële verantwoordelijkheid zal dan slechts gelden voor erfopvolgers in de tweede graad. Het wetsvoorstel schiet op zeker drie punten tekort, meent Alis Koekkoek.

Kort na het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima heeft de regering een wetsvoorstel voor een nieuwe regeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis ingediend. Het wetsvoorstel beperkt het aantal leden van het koninklijk huis. Dat komt door het uitgangspunt dat alleen die leden van de koninklijke familie die beschikbaar zijn om de koning bij te staan in zijn functie, ook lid van het koninklijk huis moeten zijn. De vraag is of dit criterium wel deugt en wat het betekent voor de ministeriële verantwoordelijkheid.

Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan artikel 39 van de Grondwet, dat sinds 1972 bepaalt: `De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis'. Deze bepaling is indertijd in de eerste plaats opgenomen om rechtszekerheid te bieden. Een aantal wetten verbindt immers gevolgen aan het lidmaatschap van het koninklijk huis en dan moet duidelijk zijn wie ertoe behoren.

De ministeriële verantwoordelijkheid was minder een reden om het lidmaatschap van het koninklijk huis te regelen. De ministers van Staat Drees en Oud hadden in 1964 de ministeriële verantwoordelijkheid in aangelegenheden van het koninklijk huis beperkt tot zaken die het openbaar belang raken. De regering sloot zich daarbij aan.

Dit betekent dat voor de ministeriële verantwoordelijkheid niet alleen het lidmaatschap van het koninklijk huis bepalend is, maar ook of het staatsbelang in het geding is. De verantwoordelijkheid zal sterker zijn voor die leden die bij de uitoefening van de representatieve taken van de koning worden betrokken.

De Wet lidmaatschap koninklijk huis van 1985 heeft het lidmaatschap gekoppeld aan de mogelijkheid van erfopvolging. Dat betekent dat, naast de koningin, haar bloedverwanten tot in de derde graad en hun echtgenoten lid zijn. Dit is een goed criterium omdat de mogelijkheid van erfopvolging bepalend is voor het voortbestaan van de monarchie.

Het pas ingediende wetsvoorstel schiet op minstens drie punten tekort. Ten eerste zwijgt het over de rechtsgevolgen van het lidmaatschap van het koninklijk huis, nota bene de eerste reden om een regeling te maken! Artikel 40 van de Grondwet bijvoorbeeld stelt de koning of zijn vermoedelijke opvolger vrij van successierecht voor hetgeen hij verkrijgt van een lid van het koninklijk huis. De Wet op de Raad van State maakt het mogelijk leden van het koninklijk huis zitting te geven in de Raad. En de Wet op de lijkbezorging geldt niet voor leden van het koninklijk huis. Men zou mogen verwachten dat de gevolgen van een beperking van het lidmaatschap goed doordacht zijn.

Ten tweede beperkt het wetsvoorstel het lidmaatschap tot de tweede graad van bloed- en aanverwantschap van de koning. De regering gaat er namelijk van uit dat een lid van het koninklijk huis beschikbaar is om de koning bij te staan in de uitoefening van zijn functie, dat wil zeggen in zijn representatieve taken. Van de derde graad wordt dat niet verwacht. Dit lijkt mij geen goed criterium. Welke leden van het huis de koning kunnen bijstaan zal sterk van de omstandigheden afhangen. Moeten echt alle verwanten in de tweede graad beschikbaar zijn om de koning bij te staan? De regering geeft trouwens zelf ook aan dat de mate van betrokkenheid nogal kan verschillen.

In de derde plaats valt op dat de regering de ministeriële verantwoordelijkheid enerzijds te ruim opvat, anderzijds te beperkt. De Grondwet zegt alleen dat de koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk. De ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huis is en blijft dus een ongeschreven regel. De regering spint die wel uit. Zij zegt in de toelichting dat de ministers in beginsel verantwoordelijk zijn voor al het handelen van de echtgenoot van de koning, de vermoedelijke opvolger en diens echtgenoot.

Dat gaat mijns inziens te ver. Het leidt tot krampachtigheid en laat hun te weinig ruimte om een eigen leven te leiden. Voor de overige leden is er alleen verantwoordelijkheid voorzover hun optreden het openbaar belang raakt.

Voor de erfopvolgers in de derde graad ziet de regering alleen verantwoordelijkheid in verband met de toestemmingswet voor een huwelijk of de eventuele uitsluiting van de erfopvolging. Dit is weer te beperkt omdat de handel en wandel van potentiële opvolgers ook in andere opzichten het aanzien van de monarchie kan raken.

Al met al onderscheidt de regering vier soorten ministeriële verantwoordelijkheid. Deze uitgesponnen verantwoordelijkheid doet terugverlangen naar de globale ongeschreven regel dat ministers verantwoordelijk zijn voor leden van het koninklijk huis voorzover hun optreden het openbaar belang raakt.

De regel is ruim genoeg om de troonopvolger meer vrijheid te laten dan de regering nu wil. Anderzijds laat deze regel potentiële troonopvolgers in de derde graad minder aan hun lot over dan de regering voorstelt.

De Tweede Kamer zou er goed aan doen de koppeling van het lidmaatschap van het koninklijk huis aan de mogelijkheid van erfopvolging tot in de derde graad te handhaven. Dat is de beste bescherming van de monarchie en ook het beste uitgangspunt voor een wettelijke regeling. Sommige leden van het koninklijk huis zullen de koning bijstaan in zijn functie, anderen niet. Afhankelijk daarvan zal de ministeriële verantwoordelijkheid variëren. Zij blijft echter voor alle potentiële erfopvolgers gelden als hun optreden het openbaar belang raakt.

Het wetsvoorstel regelt ook de titels en namen in verband met het lidmaatschap van het koninklijk huis. De titel prins (prinses) van Oranje is alleen bestemd voor de vermoedelijke troonopvolger. Willem-Alexander blijft dus prins van Oranje, maar Máxima is geen prinses van Oranje. Het wetsvoorstel zwijgt over de titel van de vrouw van de koning.

Tot nu toe heeft de minister-president de ongeschreven regel dat de vrouw van de koning de titel koningin draagt, niet willen bevestigen. Het lijkt me goed dat de Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel om bevestiging van deze regel vraagt.

Prof.mr. A.K. Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant.