Himmlische Augen!

Een vissershaven aan de kust van Sardinië. Einde van een weg naar zee. Rotswanden rijzen op uit de golven. Beelden als uit Hemingway's The Old Man and the Sea komen me voor de geest. C. en ik kunnen ons na de lange reis geen aangenamer verrassing wensen.

Een man – naar eigen zeggen de beste visser ter plaatse – ontfermt zich over ons. Hij voelt zich daartoe geroepen, want hij spreekt Duits. Hij heeft als `Gastarbeiter' in het Ruhrgebied gewerkt. Zijn vriendelijke aandacht verandert echter allengs in opdringerigheid. Al snel moet blijken dat – volgens onze gastheer – niemand behalve hij in dit dorp te vertrouwen is. Hij zal ons in bescherming nemen. We mogen eigenlijk geen stap zonder hem verzetten. Zijn Duits houdt ons gevangen.

Als zich een heldere nacht aandient, moeten we met hem gaan vissen. Protest van C. wijkt voor mijn nieuwsgierigheid. Kwamen we hier niet voor de zee?

We roeien de haven uit. Om reusachtige, gekantelde rotsblokken heen. Verdoofd door het ruisen van brekende golven. Onze beschermheer trekt een macaber, zwart rubberen pak aan, dat om zijn lichaam gegoten zit. Alleen zijn gezicht blijft als een bleek ovaal achter zijn duikersbril zichtbaar. Ik krijg aanwijzingen die in het Duits als bevelen klinken. Dan glijdt hij met een lantaarn op zijn voorhoofd en met een geweer – dat een harpoen kan afschieten – overboord. Hij zwemt voor de boot uit. Door de donkere golven. Ik moet hem – zoals me opgedragen – roeiend volgen.

C. heeft alles zwijgend, zonder commentaar gevolgd. Ze zit op het achterbankje. Nu de gastheer overboord is, kunnen we – alleen gelaten onder de sterrenhemel – met elkaar praten. ,,Ik vind dit eng'', zegt ze onomwonden.

Veel tijd om daarbij stil te staan, heb ik niet. Ik moet roeien, met de boot volgen. Achter de lichtvlek van de lantaarn aan, die onder water voor ons uit zwemt. Nu komt hij boven. Ik roei langszij en neem de harpoen over. Er zit een grote vis aan, de grijsblauwe huid met sterren bezaaid. Ik gebruik het bankje middenin de boot als weerstand om hem van de spies te rissen. Hij spartelt op de bodem.

,,Ik heb het koud'', zegt C. terwijl ik de harpoen overboord teruggeef en onze visser zijn zoektocht hervat.

,,Misschien moet je even roeien'', suggereer ik.

,,Dat kan ik niet.''

Het kost inderdaad moeite de schaduw voor de boeg te volgen. Hij komt weer boven water. Ik neem de harpoen over. Een poliepvis klauwt hulpeloos met zijn tentakels in de lucht. Ik houd hem vol weerzin van mij af. Zet het glibberige lijf tegen de houten bank en trek de harpoen eruit. Het gedrocht stuitert op de bodem van de boot. Ik geef hem met een roeispaan een zet om ruimte voor mijn voeten vrij te maken. Roei verder met het ruisen van de zee, de visser onder water en C. die zit te huiveren.

Ik kan het tempo ternauwernood bijhouden. Steeds is er een nieuw slachtoffer dat van de harpoen gerist moet worden en aan onze voeten zijn doodstrijd begint: in wanhoop met hun staart klapperende vissen, sissende en van pijn kronkelende slangen, met hun vangarmen tastende poliepvissen. Een exemplaar dat langs de zijkant overboord dreigt te kruipen, moet ik met een roeispaan een mep geven zodat hij terug in de boot rolt.

C. zit met opgetrokken knieën. Ik probeer de wriemelende, een uitweg uit pijn en ademnood zoekende gedrochten met een roeispaan uit onze buurt te houden. Onderwijl wordt me de harpoen van terzijde aangereikt om die van een nieuwe, spartelende buit te ontdoen. C. begint zachtjes te snikken.

Een weeë, zilte vislucht drijft om ons heen en doet me kokhalzen. Ik voel me uitgeput, verlang naar huis. Maar ik wil C. niet ontmoedigen. Ik moet roeien, de krioelende lading onder controle houden, nieuwe slachtoffers van de aangereikte harpoen halen. Mijn oogleden worden zwaar van slaap en vermoeidheid. Weer moet ik een roeispaan uit het water halen om een opstandige octopus binnen boord te houden.

,,Ik wil terug'', zegt C. door haar tranen heen. Ik heb er ook genoeg van. Maar het werk gaat door. In de verte tekent een lichte streep de horizon. Waar zijn we?

,,Roei maar naar dat eilandje'', hoor ik de uit het water oprijzende lantaarn zeggen. Ik gehoorzaam. Blij het slagveld te kunnen verlaten. ,,Je moet niet in slaap vallen'', zegt C. verontrust.

De buik van de roeiboot schuurt over de bodem. De duistere, rubberen figuur verheft zich uit het twinkelende water. We trekken de boot op de kant.

,,Val alsjeblieft niet in slaap'', hoor ik C. van verre. ,,Ik wil niet met hem alleen blijven!''

De visser begint planken en wrakhout aan te slepen voor een `Freudenfeuer'. Hij steekt het aan. We gaan zitten alsof dit onze eindbestemming is, alsof we hier moeten overleven, tot het einde der dagen. Ik word door slaap overmand.

C. geeft me een por. ,,Himmlische Augen!'' hoor ik onze tedere vriend in te dichte nabijheid van C. zeggen. Ik ben klaarwakker. Ik sla ostentatief mijn arm om haar heen. Halfbeschenen door de vlammen ziet de kikvorsman er onheilspellend uit. Het bebloede viswapen ligt voor hem. Angst bekruipt me. Ik voel me vernederd. Ik wil naar huis.

,,Kom'', zeg ik laf. ,,Laten we nog een paar zeemeerminnen schaken voordat het daglicht ons betrapt.''

We maken ons gereed. Er zit niets anders op dan beulsmaat te blijven. Zo lang het duurt. De haven is nog niet in zicht.