Geen cola maar kokossap

De Wereldbank schaart India onder de winnaars van de mondialisering, maar de boeren van de zuidelijke deelstaat Kerala denken daar anders over. Zij boycotten de producten van westerse multinationals. `Als de wereldmarkt onze producten niet wil, dan hoeven wij haar spullen ook niet meer.'

Trots toont boer Champakulam uit het plaatsje Thirumvampady zijn vergassingsinstallatie. Hij laat zien hoe de uitwerpselen van zijn drie koeien in een silo glijden. Bovenop de opslagtank zit een leiding die zijn huis voorziet van voldoende gas voor de verlichting en het fornuis. ,,Nu hoef ik in ieder geval de hoge rekening van het gasbedrijf niet meer te betalen'', zegt de boer triomfantelijk.

Het erf van Champakulam staat vol met kokospalmen. De noten liggen er op een grote hoop. In zijn halfafgebouwde woning vertelt de man over de economische problemen waarmee hij en andere boeren uit de zuidelijke Indiase deelstaat Kerala kampen. Drie jaar geleden had hij zijn gasten nog een glas Pepsi-cola gegeven, maar nu serveert hij alleen maar kokossap. Al kon hij de Amerikaanse frisdrank nog wel betalen, dan zou hij hem toch niet meer in huis willen hebben, zegt hij.

Van Colgate-tandpasta moet hij ook niets meer weten. Hij gebruikt tegenwoordig kruiden uit zijn tuin om zijn gebit schoon te houden. Zijn vrouw laat een grote klomp zeep zien. Zelfgemaakt, op basis van kokosolie, en volgens Champakulam veel beter dan Lux-zeep.

Champakulam verklaart, zonder het boek No Logo van antiglobaliste Naomi Klein gelezen te hebben, dat hij de dure merkartikelen van de buitenlandse bedrijven spuugzat is. ,,Als de wereldmarkt onze producten niet wil, dan hoeven wij haar spullen ook niet meer.''

Begin jaren negentig stelde India zijn economie open voor de rest van de wereld. Daarmee nam het land afscheid van een politiek van importbeperkingen en een stevige greep van de overheid op de productieve sector. De invoertarieven van India behoorden tot dan toe tot de hoogste van de wereld, waardoor Westerse consumptiegoederen amper het land binnenkwamen. Indiërs konden zelf maar moeilijk naar het buitenland reizen, vanwege de strakke valutaregels.

IMF en Wereldbank dwongen India in 1991, nadat het tekort op de handelsbalans snel was opgelopen, tot een ingrijpende koerswijziging. De Indiase overheid verlaagde de belastingen en deed talloze staatsbedrijven in de verkoop. Verder opende het land zich voor buitenlandse investeringen en consumptiegoederen.

Indiase antiglobalisten klagen dat deze koerswijziging er inmiddels toe heeft geleid dat de gehele binnenlandse drank- en levensmiddelensector is weggeconcurreerd door multinationals als Unilever, Coca- en Pepsi-Cola. Het enthousiasme van de Wereldbank over het neoliberale beleid van India is er niet minder om. In haar rapport Globalization, Growth and Poverty schaart zij het Aziatische land onder de winnaars van de globalisering. De economische groei lag er het afgelopen decennium onafgebroken boven 4 procent. En de armoede liep volgens de Wereldbank jaarlijks met ongeveer 7 procent terug. Dat cijfer is niet onomstreden, maar toch wordt India door de Wereldbank bejubeld als de economische supermacht van de toekomst.

Minder positief is de Wereldbank over de verrichtingen van de deelstaat Kerala, ook al is de levensstandaard er voor Indiase begrippen uitzonderlijk goed. Communistische deelstaatregeringen zorgden na de onafhankelijkheid voor gratis onderwijs en gezondheidszorg.

Mensen worden hierdoor in Kerala gemiddeld 72 jaar oud, waar de gemiddelde levensverwachting voor geheel India blijft steken op 61 jaar. De scholingsgraad van de inwoners van de deelstaat, van wie maar liefst 90 procent kan lezen en schrijven, ligt zelfs op het niveau van ontwikkelde landen als Spanje en Singapore.

De Wereldbank schaart Kerala niettemin onder de deelstaten waar het investeringsklimaat voor buitenlandse ondernemingen nog te wensen overlaat. Hoewel het inkomen per hoofd van de bevolking lager ligt, en de werkloosheid hoger, dan in de rest van India, groeit het inkomen nu jaarlijks met ruim 5 procent.

Boer Champakulam schrijft de economische malaise toe aan te veel, niet aan te weinig globalisering. Hij vertelt dat het leven drie jaar geleden nog goed was in Kerala. De bevolking, die grotendeels bestaat uit agrariërs, besteedde kapitalen aan bruiloften en grote huizen. Dankzij de landhervormingen van de communistische deelstaatregeringen bezaten de boeren een eigen lapje grond. Daardoor konden zij optimaal profiteren van de opbrengsten van hun teelt.

Toen stelde India zijn grenzen open voor buitenlandse landbouwproducten, en tuimelde de prijs voor kokosnoten omlaag, van 9 roepie per noot naar 2 roepie. De olie uit de noten bleek niet te kunnen opboksen tegen de goedkopere palmolie uit Indonesië en Maleisië. De prijsval van de kokosnoot was voor de boeren uit Kerala al een behoorlijke slag, maar daar bleef het niet bij. Zij kregen ook nog eens 75 procent minder voor hun arecanoten, die in India worden gebruikt als kauwgum en kleurstof. Sri Lanka bleek de vrucht veel goedkoper te kunnen telen. Verder holde de prijs van rubber, gember en koffie de afgelopen jaren met meer dan 50 procent achteruit.

Champakulam vertelt dat hij zijn huis, zoals zoveel andere boeren in Kerala, niet heeft kunnen afbouwen door de prijsval van de agrarische producten. Het hele sociale leven is Kerala is ontwricht. Huwelijken worden bijvoorbeeld nauwelijks nog gesloten, ze zijn voor de boeren nu onbetaalbaar. ,,Wij hebben de laatste jaren driekwart van ons inkomen verloren, Het is weer terug op het lage niveau van 1980'', zegt boer Devasia, buurman van Champakulam en een leider van de boerenorganisatie Infarm (Indian Farmers). Hij vindt dat de centrale regering de invoertarieven op rubber weer omhoog moet trekken.

Dat brengt haar niet per se in conflict met de wereldhandelsorganisatie WTO. New Delhi hoeft alleen maar te bewerkstelligen dat rubber onder het WTO-concurrentieregime voor agrarische producten komt te vallen, en dan krijgt zij vanzelf de vrijheid om de importheffingen op te trekken. Devasia verwacht echter niet dat de centrale regering zich daarvoor hard zal maken. ,,Dit is een regering die alleen maar luistert naar de belangen van de grote industriëlen en niet naar de kleine boeren. Daarom hebben wij Infarm in 2000 opgericht. Binnen een jaar telden wij een half miljoen leden.''

Stuwende kracht achter de organisatie is de katholieke priester Anthony Kozhuvanal uit Thirumvampady. In oktober 2000 nam hij het initiatief tot een boycot van Maleisische palmolie in Kerala. Tijdens een openbare verbranding van het geïmporteerde product riep hij de bevolking van de deelstaat op de eigen boeren te steunen door weer kokosolie te kopen. Daarop besloten winkeliers en handelaren in veel dorpen de flessen palmolie uit hun schappen te halen. De actie baarde zoveel opzien dat Indonesische en Maleisische palmolieproducenten zich genoodzaakt zagen in de regionale pers snel een campagne te beginnen voor hun product.

Kozhuvanal breidde zijn actie uit met een boycot van Pepsi- en Coca-Cola. De inwoners van Kerala moesten weer gewoon kokossap gaan drinken, vond de geestelijke. Ook die actie kreeg navolging; studentengroepen deden de Amerikaans softdrink in de ban. ,,In Kerala en ook onze buurtstaat Tamil Nadu is de consumptie van cola nu met meer dan 40 procent gedaald'', claimt de priester. Zijn laatste wapenfeit is de boycot van Westerse bad- en doucheproducten. Hij toont een `soapkit' die de boerenorganisatie Infarm onder haar leden verspreidt. Als ze de soda en de kruiden uit de kit met kokosolie mengen, dan krijgen zij hun eigen zeep. ,,Zo bestrijden wij hier de globalisering'', zegt Kozhuvanal in zijn pastorie in Thirumvampady.

Kozhuvanal wil Kerala laten terugkeren naar het oude Swadeshi-ideaal vanMahatma Gandhi. De onafhankelijkheidsleider streefde ernaar dat Indiase boerengemeenschappen geheel zelfvoorzienend werden, zodat zij de producten van de Britse kolonisator niet nodig hadden. Volgens Kozhuvanal leidt de huidige globalisering ertoe dat India opnieuw afhankelijk wordt van de buitenwereld. ,,De goedkope importen zorgen bovendien voor een vernietiging van productiviteit. Mensen wachten liever op de buitenlandse goederen dan zelf te gaan werken.''

Infarm is het vehikel waarmee Kozhuvanal het Swadeshi-ideaal uitdraagt. De organisatie helpt boeren bij de aanschaf van vergassingsinstallaties om in de eigen energiebehoefte te voorzien. Zij adviseert haar leden bovendien hoe zij groentetuinen moeten aanleggen, voor de eigen voedselvoorziening. Boer Champakulam heeft zijn tuin volstaan met tapioca, een aardappelachtige wortel. ,,Nu hebben wij in ieder geval genoeg te eten.'' Een ander erf in Thirumvapady staat vol kippenrennen. In de hokken heeft Infarm duizenden kuikens uitgezet. Als de dieren volgroeid zijn, worden zij onder de leden verdeeld. ,,De eieren zijn voor eigen gebruik of voor verkoop op de lokale markt'', zegt Infarmleider Devasia. Hij vertelt over de plannen van zijn organisatie om ook een coöperatie te beginnen voor de productie van instantkoffie. ,,Wij krijgen nu amper iets voor onze bonen, terwijl westerse bedrijven als Nescafé kapitalen verdienen met de productie van instantkoffie.'' Voor het project heeft Infarm wel geldschieters nodig. Van de contributie van de boeren, haar belangrijkste inkomstenbron, kan de organisatie het niet betalen.

Priester Kozhuvanal heeft bij de centrale regering in New Delhi net een subsidie binnengehaald voor een betere verwerking van kokosnoten. De boeren in Kerala gebruiken voor de productie van kokosolie doorgaans alleen het witte vruchtvlees en gooien de rest weg. Buitenlandse producenten maken van het harige omhulsel van de noot, copra genaamd, ook deurmatten en touw. ,,Wij kunnen nog veel leren van die landen'', meent de priester. Hij streeft ernaar om binnen vijf jaar een nieuwe bedrijfstak op te zetten die tal van copraproducten naar het buitenland exporteert. Blijkbaar is die wereldmarkt toch zo slecht nog niet.