Directie Vos BV regelde zelf inkoop glycerine

Terwijl justitie geen `natuurlijke personen' kon vinden, blijken de directeur en de onderdirecteur van Vos BV direct betrokken bij de inkoop van een partij vervuilde glycerine die zeker zestig kinderen fataal werd.

De toenmalige directieleden E.H. en J.H.O. van de chemicaliënhandel Vos BV waren veel meer dan topmanagers die alleen over het algemene beleid gingen. Volgens een intern verslag namen ze in 1995 – het jaar van de dodelijke glycerinetransactie met Haïti – gezamenlijk bijna een vijfde van de totale bedrijfsomzet van ruim 25 miljoen euro voor hun rekening. Volgens een medewerker uit die periode was in- en verkoop zelfs de ,,hoofdtaak'' van directeur E.H. ,,Hij was meer een handelsman'', zegt een ander die met hem werkte. Ook anderen bevestigen de belangrijke commerciële rol van de directeur en onderdirecteur.

Dat de directie zich volgens nu opgedoken documenten persoonlijk bemoeide met de in- en verkoop van de vervuilde glycerine, die na verwerking in een koortswerende siroop in Haïti ten minste zestig kinderen het leven kostte, wekt dan ook bij niemand van de geraadpleegde toenmalige medewerkers verwondering. Het Haagse openbaar ministerie kwam ook na langdurig verhoor van beide directieleden – de onderdirecteur zat enige tijd in verzekerde bewaring – niet tot de conclusie dat er specifieke personen waren aan te wijzen. Dit was een belangrijke reden voor het OM om de zaak met Vos BV te schikken. Het college van procureurs schreef aan de ontstemde minister Korthals (Justitie) dat er ,,bepaaldelijk bewijsproblemen zijn geweest met betrekking tot het daderschap van natuurlijke personen dan wel met betrekking tot het feitelijk leiding geven door natuurlijke personen''.

In het interne verslag staan de directeur en onderdirecteur echter aangeduid als `productmanager' en `salesman'. In het document zijn voor de twee directieleden gezamenlijke winstcijfers over hun beider transacties geformuleerd. Directeur E.H. had volgens het organogram van Vos BV de directe supervisie over de commerciële activiteiten. ,,Als iets werd ingekocht of verkocht, moest men altijd langs de directeur voor akkoord'', aldus een toenmalige medewerker. Enkelen bevestigen bovendien dat de relatie met China (exporteur van de vervuilde glycerine) ,,hoofdzakelijk'' door de directeur zelf werd onderhouden.

De glycerine was voor een relatief lage prijs vanuit China via een papieren transactie met het Duitse Metallchemie gekocht door Vos BV, die de 72 vaten opsloeg in een gehuurde loods in de Rotterdamse haven. De in- en verkoop van de glycerine werd grotendeels door onderdirecteur J.H.O. zelf afgehandeld. Zo stuurde hij op 17 november 1994 een fax aan het Duitse bedrijf met instructies over de kwaliteitsaanduiding `USP', waarmee werd aangegeven dat de glycerine geschikt was voor farmaceutische toepassing. Drie dagen eerder had Metallchemie hierover ook al een fax aan de onderdirecteur gestuurd. Op 1 december 1994 meldde Metallchemie aan Vos BV dat de verscheping vanuit China vertraging had opgelopen. Op de fax is door een medewerker van Vos BV aangetekend dat deze boodschap werd ,,doorgegeven'' aan onderdirecteur J.H.O.

Uiteindelijk kwam de glycerine in januari 1995 in de Rotterdamse haven aan, waar de partij tijdelijk werd opgeslagen in een door Vos BV van de firma Calberson gehuurde loods. Op het opdrachtformulier van Calberson staat als `inkoper' de naam van de onderdirecteur van Vos BV genoteerd. Het referentie- of aankoopnummer dat naar de partij glycerine verwijst, is in alle documenten en correspondentie gelijk en komt ook overeen met het nummer van de in Haïti gebruikte glycerine. Er kan dus geen misverstand zijn dat het steeds om de door Vos BV verhandelde glycerine ging.

Al in 1997 lekte uit dat Vos BV de glycerine vóór levering aan Haïti in het Dordrechtse laboratorium van SGS liet testen. Ofschoon uit het uitgelekte testrapport bleek dat de glycerine een zuiverheid van slechts 53,9 procent had, werd het door Vos BV met de medische kwalificatie `USP' (minimaal vereiste zuiverheid: 95 procent) verkocht. Toenmalige medewerkers van Vos BV bevestigen dat de inkoper ook altijd verantwoordelijk was voor het laten testen van de grondstof, ook als de directeur of onderdirecteur zelf de inkoper was. Zo kreeg deze krant een in 1997 door directeur E.H verstrekte testopdracht ter inzage, waarin deze liet verzoeken enkele specifieke ,,parameters'' van een grondstof te onderzoeken.

In het geval van de Chinese glycerine was het dus onderdirecteur J.H.O. die als inkoper verantwoordelijk was voor het uitvoeren van de kwaliteitstest. Volgens toenmalige medewerkers werd het testrapport altijd bij het productdossier gevoegd, dat door de inkoper werd beheerd.

Volgens een aantal van de ondervraagde toenmalige medewerkers was het, althans in die periode, geen uitzondering bij Vos BV dat technische grondstoffen met een hogere kwalificatie werden verkocht. Ook kwam het volgens hen wel voor dat tegen de regels restanten van oude grondstof met nieuw aangekomen materiaal werden vermengd. ,,Het oud spul ging erbij. Dan ging het met vrachtauto een paar keer heen en weer. Door te remmen zat het spul er dan goed doorheen'', zegt een van hen.

Ingewijden wijzen ook op een claim destijds van de fiscale opsporingsdienst FIOD tegen Vos BV wegens ontduiking van alcoholaccijns.

De toenmalige directeur van Vos BV werd kort na de glycerine-affaire door het Duitse moederbedrijf Helm AG ontslagen. De onderdirecteur is met pensioen.

Het Haagse openbaar ministerie weigert voorlopig commentaar, nu het Haagse hof zich buigt over een beklag van de Soester advocaat J. van der Wolf tegen de schikking met Vos BV. Deze advocaat treedt op namens Haïtiaanse ouders. Ook de Amerikaanse advocaat D. Mishael uit Miami wil namens nabestaanden op korte termijn het hof vragen de schikking terug te draaien. De woordvoerder van het Haagse openbaar ministerie: ,,We willen verder geen mededelingen doen. We wachten nu even de behandeling bij het hof af.''