Dijkstal moet poot stijf houden

Fractieleider Dijkstal van de VVD houdt nog steeds stand. Zeker, hij neemt het lijsttrekkerschap op zich. En is in beginsel bereid om, als de uitslag van de verkiezingen en de uitkomst van de kabinetsformatie dat meebrengen, minister of minister-president te worden. Maar hij blijft het (geldende) kiesstelsel trouw, dat immers gericht is op het kiezen van een volksvertegenwoordiging, en weigert de verkiezingscampagne te leiden als `kandidaat-premier'. Al zeggen pr-deskundigen en allerlei bezorgde VVD'ers, dat hij juist dat moet doen.

Onder die bezorgden is ook de partijvoorzitter, een vroegere burgemeester van een provinciestad, die soms een grote maat broek draagt. Nu eens haalt hij de bevriende minister van Justitie, Korthals, publiekelijk door de wringer, dan weer geeft hij de fractievoorzitter in de Tweede Kamer, die in de dualistische VVD de politieke leider is, een afwijkend openbaar advies inzake de campagne. VVD-leiders als Oud of Wiegel zouden met zo'n partijvoorzitter wel raad hebben geweten. Dat de huidige VVD intussen niet alleen veel groter is geworden, maar `van binnen' ook stevig veranderd is, blijkt en passant. De voorzitter bedoelt het goed en spreekt namens velen die het goed bedoelen, moet je maar denken.

Zoiets is immers `duidelijk', zegt de een. Zoiets geeft de als lijsttrekker debuterende Dijkstal meer profiel, zegt de ander. Zoiets geeft aan het gevecht tussen de twee grootste partijen, PvdA en VVD, een mooie personalisering. Want zo'n gevecht wordt voor veel kiezers overzichtelijk als het mede gevoerd wordt onder het motto: wie wordt premier: Melkert of Dijkstal? En dat zou het voor andere, kleinere partijen moeilijker kunnen maken, denkt eenderde. Bovendien is de populariteit van de joviale Dijkstal bij de kiezers waarschijnlijk een slag groter dan die van de koele Melkert, al kan die misschien beter rekenen of lastige dossiers onthouden, denkt weer een ander. Ach, Bolkestein liet zich in de campagne van 1998 uiteindelijk ook het kandidaat-premierschap aanleunen, al had hij toen al het plan om niet al te lang na de verkiezingen iets heel anders te gaan doen (in Brussel).

Dijkstal moet `klare wijn schenken' en voor meer `duidelijkheid' zorgen door nu al te zeggen dat hij namens de VVD kandidaat-premier is, zeggen allerlei min of meer zelfbestelde adviseurs. Zondagavond werd hem dat voor de televisie voorgehouden in het programma Netwerk. Zijn herhaalde verweer dat hij in een campagne liever over de inhoud, over programmaverschillen en partijstandpunten spreekt dan over het kandidaat-premierschap of concurrerende personages van andere partijen, hielp maar weinig. Trouwens: programmatische profilering ten opzichte van partijen waarmee je net acht jaar in een paarse coalitie hebt samengewerkt is al moeilijk genoeg. Dat geldt zelfs voor het vreemdelingen- en asielbeleid en de WAO, waarover Dijkstal van de Netwerk-ondervragers direct te horen kreeg dat hij er toch zelf al die tijd heeft bijgezeten.

Evenmin hielp zijn verzuchting dat het Nederlandse kiesstelsel niet gericht is, wat de VVD betreft: met recht niet gericht is, op verkiezing van de nieuwe premier, maar op vernieuwing van de volksvertegenwoordiging. Dat vraagstuk is de afgelopen 35 jaar omstandig besproken. Bij de oprichting van D'66 was de gekozen premier juist een van de belangrijkste, zij het niet verwerkelijkte, drijfveren. Die gekozen premier is er niet gekomen. Integendeel: zoals in 1994 spectaculair bleek, kan in het gehandhaafde stelsel iemand die zwaar verloren heeft, zoals PvdA-lijsttrekker Kok toen, desondanks premier worden. En per saldo, zeker gerekend naar de prioriteiten van toen (werk, werk, werk, weg met de tekorten!) geen slechte, al is dat oordeel de laatste maanden dan, met de heren Fortuyn en Nagel als eerste begunstigden, minder en vogue geraakt.

Want hoewel paars na de sanering van de collectieve sector alweer veel geld in die sector heeft geïnvesteerd, hoor en lees je vooral dat daar veel mis is. In elk geval denken veel mensen dat, zoals zij vinden dat de familie Stagnatie nu hoofdbewoner van de Nederlandse polder en bovendien economisch en anderszins staatsvijand nummer één geworden is. Een monster dat je tegenkomt op het station, in de wachtkamer, in de klas en voor het loket. En buiten de publieke ruimte op de afgekoelde beurs, bij de bank en in het reisbureau. Dat nieuwe beeld van brede misère hoeft voor de grote groep ongebonden en argwanende kiezers niet altijd overal te kloppen om toch te tellen in de kleine ruimte waar electorale echo's klinken en de media vaak hun concurrentieslagen voeren. Daar waar steeds meer nieuws begint te behoren tot de hoofdgroep `Het is weer erg, hè'.

Sommigen zeggen dat het een stuk beter zou kunnen worden als de burgers en de politiek dichter bij elkaar worden gebracht en als de kiezers bijvoorbeeld een meer rechtstreekse invloed zouden krijgen op de verkiezing en het functioneren van hun bestuurders. Of op het beleid in stad, provincie en land. Het belang daarvan zou groeien naarmate de traditionele politieke partijen meer slijtage vertonen en minder geschikt raken voor hun democratische transmissierol.

Wat daarvan ook zij, het zou niet goed zijn om de bestaande regels te handhaven en intussen wèl velerlei pseudo-duidelijkheden aan te bieden. Zeg, door voor de verkiezingen met een schaduwkabinet of een `ononderhandelbaar' programma te komen, zoals PvdA, PPR en D'66 dertig jaar geleden eens deden, waarna achteraf natuurlijk toch programmatisch moest worden onderhandeld en naar een bredere grondslag voor een meerderheidscoalitie moest worden gezocht. Er zijn uit dit genre profilerende `duidelijkheden' meer voorbeelden uit de afgelopen decennia te geven. Gemeenschappelijk kenmerk is dat de kiezer zich er uiteindelijk door bekocht mocht voelen. Dat geldt vandaag voor de rare term `kandidaat-premier'. Alleen daarom al is het te hopen dat Dijkstal zijn poot stijf houdt en zoiets tot de verkiezingsdag blijft afwijzen.