Bush moet niet denken dat hij zonder bondgenoten kan

Het succes in Afghanistan heeft Amerika aangemoedigd voorbij te gaan aan de Europese twijfel over de aanpak van de ,,as van het kwaad''. Chris Patten waarschuwt dat solisme averechts zal werken.

Winston Churchill is in de Verenigde Staten sinds 11 september vaak geciteerd. Een gewond land heeft troost geput uit zijn wilskracht, zijn morele zekerheid en zijn geloof in de vrijheid. Op persoonlijk verzoek van George W. Bush staat Churchills borstbeeld in het Oval Office. Niemand hoefde te twijfelen aan de kracht van Churchills band met Amerika; maar de verhouding kende ook wel eens meningsverschillen. Als hij van zijn voetstuk in het Witte Huis op dit moment de toestand overziet, nu de campagne tegen het terrorisme zeven maanden aan de gang is, heeft de oud-premier misschien wel de neiging om zijn opmerking te herhalen dat ,,het in de samenwerking met bondgenoten wel eens voorkomt dat ze hun eigen meningen ontwikkelen''.

Ik verafschuw mensen die hun Europese geloofsbrieven trachten op te poetsen door af te geven op Uncle Sam. Er stroomt geen druppel anti-Amerikanisme door mijn aderen. Sinds ik er als student voor het eerst politiek actief werd, houd ik van de VS. Ik weet hoe dankbaar Europa de VS mag zijn voor de verdediging van zijn vrijheid in de afgelopen eeuw. Ik heb diepe bewondering voor de wijze waarop mensen zoals generaal George Marshall en Dean Acheson na 1945 aan de wederopbouw van Europa en de hervorming van de wereld hebben gewerkt. Zij wisten dat een hernieuwd verval tot barbarij in Europa het beste kon worden afgewend door een stevige grondslag voor democratie te leggen. Maar ware vrienden zijn geen stroopsmeerders. Als wij ons zorgen maken over bepaalde richtingen van de Amerikaanse beleidsvorming hebben we de plicht ons uit te spreken.

De neiging tot solisme is niet nieuw. Ze is ook niet verwerpelijk. Het is niet egoïstisch te stellen dat Amerika allereerst de plicht heeft zijn eigen democratie en de rechten van zijn eigen volk te beschermen, net zomin als het verkeerd is als Amerikaanse beleidsmakers bezorgd zijn over de mate waarin internationale verplichtingen wellicht een bedreiging voor de Amerikaanse soevereiniteit zullen vormen.

Waarom zou 's werelds enige supermacht niet het recht opeisen uit eigen naam te handelen, ongehinderd door internationale verwikkelingen? Amerika heeft toch de plicht het kwaad te bestrijden waar het dat ziet, als dat ieders veiligheid helpt waarborgen? Wat is er zo verkeerd of zo gevaarlijk aan het idee van een stevige wereldregering door een welwillende beginseldemocratie? Multilateralisme is voor watjes.

Mijn antwoord is niet dat de neiging tot solisme slecht is maar dat ze uiteindelijk ondoelmatig is en averechts werkt. De aanslagen van 11 september, waarbij burgers uit meer dan tachtig landen het leven lieten, hebben angstaanjagend duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar de VS en wij allemaal zijn voor de daden die extremisten beramen in schuilplaatsen in mislukte staten als Afghanistan. Direct na de aanslagen leek bij de VS een behoefte aan bondgenoten te herleven om deze gezamenlijke dreiging te weerstaan. Het verbluffende en onverwachts snelle succes van de militaire campagne in Afghanistan was een eerbewijs aan de Amerikaanse slagkracht. Maar het heeft misschien ook gevaarlijke instincten versterkt: dat de uitoefening van militaire macht de enige basis voor werkelijke veiligheid is; dat de VS alleen op zichzelf kunnen vertrouwen; en dat bondgenoten misschien wel nuttig zijn om achter de hand te hebben maar dat de VS groot en sterk genoeg zijn om het zonodig zonder hen af te kunnen.

Ik hoop dat deze instincten niet de overhand krijgen, want ik geloof dat ze verregaand misplaatst zijn. De les van 11 september is dat we op ongeëvenaarde schaal Amerikaans leiderschap én internationale samenwerking nodig hebben. Het is in het belang van de wereld maar ook in het belang van 's werelds grootste mogendheid dat leiderschap in verbondenheid wordt uitgeoefend. Waarom dat zo is? Ik geef vijf redenen.

Ten eerste worden we ons met de dag bewuster van de verwevenheid van de moderne wereld: een wereld waarin Amerika het middelpunt vormt van een web dat steeds meer één geheel wordt, en waarin nationale grenzen en nationale rechtsgebieden door de moderne techniek worden aangetast. Het wordt daardoor des te belangrijker om samen te werken met mensen die jouw waarden delen, teneinde ze te beschermen.

Ten tweede schept de mondialisering – de combinatie van open handel, kapitalisme en techniek – ongeëvenaarde mogelijkheden, maar heeft ze ook een donkere kant. De Europese Unie symboliseert het vermogen van landen om met elkaar gemeenschappelijke vraagstukken aan te pakken.

Ten derde heeft het internationale institutionele bouwwerk – van de Verenigde Naties tot het Internationale Monetaire Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie – meer te danken aan het vernuft van Amerikaanse staatslieden dan aan enige andere bron. Maar deze instellingen worden bedreigd. Hun beslissingen worden op de proef gesteld door een toenemende gewelddadigheid en straffeloosheid. Ze ontberen een democratische legitimiteit en dat stimuleert de warrige beweging tegen de mondialisering. Ze moeten worden gevoed, anders verliezen ze hun gezag en daar wordt niemand van ons beter van.

Ten vierde kan Europa nooit op tegen de Amerikaanse militaire uitgaven – en moet het dat ook niet willen. Net als Lord Robertson, de secretaris-generaal van de NAVO, ben ik er sterk voor dat de Europese regeringen hun nationale militaire begroting verhogen en een groter deel van de last voor hun eigen verdediging dragen. Maar `veiligheid' is een breder concept. De EU is met haar lidstaten een enorme verstrekker van ontwikkelingshulp. Wij verlenen zo'n 55 procent van de totale internationale hulp en maar liefst tweederde van alle noodhulp. Ook dat is een bijdrage aan de internationale veiligheid. Niemand betwist de noodzaak van harde militaire actie om het Al-Qaedanetwerk en zijn bases te vernietigen. Maar als we Al-Qaeda en andere netwerken het grondgebied willen onthouden waar ze toekomstige gruweldaden kunnen beramen, dan moeten we ons uiterste best doen om zwakke of mislukkende staten te versterken en ze te beletten in de klauwen te vallen van de Bin Ladens van deze wereld.

Ten slotte hoef ik nauwelijks te zeggen dat er overal op de wereld niet alleen genegenheid en bewondering voor Amerika is, maar ook angst en wrok. Als enige supermacht op de wereld dragen de VS een bijzondere verantwoordelijkheid voor de handhaving van het morele gezag van hun leiderschap. Alles lijkt helder en zinvol voor wie zijn eigen gang gaat; maar er is een prijs in legitimiteit en doelmatigheid op lange termijn. Die prijs wordt in de loop der tijd hoger.

Waar blijven wij in dit geheel? Ik heb er in elk geval geen behaaglijk gevoel bij. Zoals altijd reken ik erop dat Amerika zich bemoeit met een complexe en gevaarlijke wereld. Er is veel kwaad in die wereld. Maar om een willekeurig groepje landen als ,,as van het kwaad'' te brandmerken heeft mij niet getroffen als de fraaiste wending die ooit door de presidentiële speechschrijvers is afgeleverd. Natuurlijk moeten wij ons tegen het kwaad keren. Maar we moeten ook bouwen op het goede – en op dat wat hoop op een betere toekomst biedt. Zo moeten we bijvoorbeeld in Irak onze inspanningen verdubbelen om de inspecteurs weer binnen te krijgen en de oppositie tegen Saddam Hussein te steunen. Maar in Iran? Als in Washington wordt gezegd dat het Europese beleid in Iran is mislukt, dan is mijn onmiddellijke reactie dat we nieuwe wegen moeten zoeken om de hervorming daar te steunen, en niet dat we de luiken moeten sluiten. In het geval van Noord-Korea biedt het toenaderingsbeleid van de Zuid-Koreaanse president Kim Dae-jung het beste vooruitzicht in jaren om echte verandering teweeg te brengen. In het Midden-Oosten hebben we behoefte aan een dialoog, niet aan isolatie en verdere radicalisering van de Palestijnen.

,,De uitdaging aan Amerika is om zijn macht in morele eensgezindheid om te zetten, om zijn waarden niet uit te dragen door ze op te leggen maar door hun willige aanvaarding in een wereld die ondanks haar schijnbare verzet wanhopige behoefte heeft aan verhelderend leiderschap''. Die zin is niet van mij maar is de slotalinea van een van de laatste boeken van Henry Kissinger. Is het overdreven openhartig van deze vriend van Amerika om te zeggen dat ik het met elk woord eens ben?

Chris Patten is commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen van de Europese Unie en oud-voorzitter van de Britse Conservatieve Partij.