Burgerlijke rebellie

Al zag ik hem dan niet vaak en deed hij bij onze ontmoetingen altijd heel erg zijn best om net te doen of hij mij herkende wat naar alle waarschijnlijkheid niet het geval was toch mis ik wijlen de historicus George Lachman Mosse enorm. Ik mis zijn optredens voor studenten. Hoe hij binnen kwam en de zorgvuldig klaargezette microfoon een nijdige zwieper gaf met de opmerking `I dont need this'. Dat was waar. Mosse, de kleine wat gezette man, bulderde de zaal van zo'n honderd verbijsterde studenten toe. Hij sprak dan over de negentiende eeuw, de eeuw van de opkomst van ideologieën, de eeuw waarin Romantiek en Verlichting, individualisme en de drang naar gemeenschap, het mannelijke en het vrouwelijke, de insiders en de outsiders elkaar ontmoetten, uitdaagden en bestreden.

Niet zelden maakte hij tijdens zo'n college voorzichtige uitstapjes naar zijn eigen biografie. Die waren altijd de moeite waard. Mosse werd in 1918 in Berlijn geboren. Zijn familie was joods en beroemd. Zijn grootvader was de oprichter van Mosse Verlag, uitgever van de bekende liberale krant Berliner Tageblatt. Hij groeide, zoals hij zelf opmerkte, op als een verwend rijk jong. Hij was gefascineerd door het opkomende nazisme en de prachtige shows die daarbij hoorden. Die aantrekkingskracht zou hem altijd blijven intrigeren hetgeen in zijn latere historische studies steeds naar voren kwam. Op zijn negentiende, in 1933 ontvluchtte hij Duitsland via Zwitserland om vervolgens in Parijs en York terecht te komen. Vluchteling te zijn was het beste dat hem ooit was overkomen, vertelde Mosse eens. Hij voelde zich vrij en ontdekte steeds meer de mogelijkheid om de dingen vanuit het perspectief van de outsider te bekijken. Buitenstaander als vluchteling, als jood en als homoseksueel.

Mosse gebruikte die blik in zijn cultuurhistorische analyses. En hoewel ik het steeds minder met hem eens was, naarmate ik mijzelf meer verdiepte in de negentiende eeuw, het zijn juist die analyses, die manier van kijken en verwoorden die ik zo vreselijk mis. Wat had ik graag met Mosse gesproken over de Nederlandse actualiteit, die hem overigens zeer interesseerde. Wat had ik graag met hem gesproken over Pim Fortuyn. Wat zou ik aan zijn lippen hebben gehangen. Hij zou deze figuur hebben geplaatst in het schema dat hij voor zichzelf hanteerde en uitwerkte in verschillende studies.

In een klein artikel `Fin de siècle. Challenge and response', reageerde Mosse, naar eigen zeggen niet gehinderd door enige diepgaande kennis omtrent dit werk, op de studie Op het breukvlak van twee eeuwen van Jan Romein. Een van de stellingen van Romein was dat in de periode rond 1900 de West-Europese burgerij wat betreft haar macht zo sterk was dat zij het zich kon veroorloven te twijfelen aan haar goed recht op die macht. Zeker, daar was reden toe. De burgerij was bang voor de opkomst van het proletariaat en de mogelijke revoluties die daaruit voort zouden komen en voor een opstand in de koloniën.

Mosse ontkende dit alles niet maar gaf in zijn studie aan dat de burgerij rond 1900 vooral werd uitgedaagd door mensen uit de eigen gelederen die door hun levensstijl de grenzen van de heersende moraal probeerden te rekken, te vernietigen of in ieder geval ondervragen. De burgerij baarde als het ware haar eigen bestrijders en creëerde door haar reacties op die uitdagers haar eigen buitenstaanders (buitenlanders, homoseksuelen en joden volgens Mosse) en insiders. Zo ontstond er een dynamiek van challenge and response, een roep om orde en gezag en een roep om vrijheid en doorbreking van taboes wisselden elkaar af. De burgerij voer er wel bij.

Aan die dynamiek moest ik denken toen ik onlangs in een televisieprogramma historicus Thomas von der Dunk en Pim Fortuyn met elkaar in gesprek zag. Beide mannen behoren tot de burgerij, zijn als het ware insider maar niet helemaal. Ze zijn tegelijkertijd outsider. Von der Dunk omdat hij opereert als een zelfstandig denkend commentator en sceptisch historicus, zoals dat hoort en Fortuyn had naar eigen zeggen in ieder geval de blik van een outsider vanwege zijn seksuele geaardheid. Dat buitenstaanderschap werd in het gesprek onderstreept. Beide mannen konden het althans niet laten met een wijze blik van de man die weet, op te merken dat zij op de hoogte waren van het leven in de darkrooms, zo te zeggen van het outsidersgebeuren. Twee buitenstaanders die de burgerij uitdagen en tegelijkertijd insiders omdat het kennelijk nu evenals rond 1900 zo is dat de Nederlandse burgerij wel behoefte heeft aan rebellie.

Zowel Von der Dunk als Fortuyn lijken dat heel goed te beseffen. Von der Dunk nam afstand van de inhoud van Fortuyns uitspraken, maar gaf aan diens rebellie te bewonderen. Dat doen de meeste Nederlanders die op Fortuyn willen stemmen. Zij stemmen op een rebellie die als het ware omarmd wordt en tot mainstream is gemaakt. Bij Fortuyn gaat dat goed omdat zijn homoseksualiteit en de door hem geëtaleerde lifestyle als lang niet zo bedreigend wordt ervaren als de outsiders tegen wie hij zich richt, de moslims en lang niet zo saai is als de insiders die hij aanvalt, de gevestigde politici.

Fortuyn is een ingekapselde rebel, hij is het zondagskind van de burgerij en combineert zijn rol als outsider op briljante wijze met de roep om orde en gezag van de insiders. Die hele Fortuyn is dus een interessant burgerlijk fenomeen. De burgerlijkheid zelve. Zijn rebellie is die van de motorrijder die op zondag eerst nog even zijn kind bij zijn ex-vrouw moet brengen. Zijn rebellie appelleert aan de rebellie van de beveiligingsbeambte met een button van de Rolling Stones op zijn uniform en de rebellie van de corpulente ondernemer in een vrijgevochten fourwheeldrive. Fortuyns rebellie is de rebellie van de driezitsbank met daarboven een reproductie van Karel Appel. Het is de rebellie van `at your service' versus Koks `tot uw dienst'. Fortuyns rebellie is de rebellie van een burgerij die geen flikker gewend is. Wat zou ik daar met Mosse om hebben gelachen.