Uithuilen

Het mooiste verhaal dat ik de afgelopen tijd heb gelezen, is dat van Anna Enquist in het Cultureel Supplement van deze krant, op 1 februari. Het is niet eens een verhaal, maar een vraaggesprek met Frénk van der Linden. En mooi betekent in dit geval: pijnlijk. Aangrijpend. Ik zou bijna zeggen hartverscheurend, maar ik denk dat Anna Enquist bezwaar heeft tegen `hartverscheurend'. Ze is een dichter, ze kiest haar woorden, ik moet dus voorzichtig zijn. Maar dichter of niet, als ik in Frénk van der Lindens plaats was zou ik die vrouw omarmen en haar zacht wiegen tot de zon onderging. Gelukkig was het Frénk van der Linden, die stug doorging met zijn werk als interviewer.

Anna Enquist heeft het boekenweekgeschenk van dit jaar geschreven. Op een bepaald moment zat ze vast met het verhaal. Ze ging naar de slaapkamer van haar dochter van 28, zat op de rand van het bed, en legde haar het probleem voor. Haar dochter kwam met een idee, dat nu in het boek is verwerkt.

Die dochter is dood. Aangereden door een vrachtwagen in Amsterdam. In haar tas had ze een manuscript van dat boekenweekgeschenk.

Het is een Gabriel García Márquez-achtig gegeven. Maar er is meer. Zoveel meer dat je het bijna niet wil geloven. Al jaren eerder dichtte haar moeder: `Niet waar dat ze met lange elastieken draden aan je vast zit, dat je opvliegt als zij twintig kilometer verder van haar fiets valt. Je zit in het versteende huis en je voelt niets'.

Dochter van 28 was op de fiets toen ze aangereden werd.

Tijdens de begrafenis las de moeder een tien jaar oud gedicht voor: `Maar tijd is gaan. Maar dood gaan is: stil gaan staan. Hoe je gezicht stukvalt op steen, hoe scherpe wielen door je schouders snijden: drama zonder regie'.

Haar woorden ter verklaring van deze tekst: `Ik las dat niet om te tonen hoe geweldig ik alles had voorzien ik wilde aangeven dat je aan die hele poëzie niks hebt wanneer je zo'n gekmakend verlies lijdt.

Op dat moment legde ik de krant neer. Het was een winterse zondagochtend in Delhi. Ik dronk koffie aan de eettafel. Op zondag is er geen personeel. Mijn kinderen sliepen boven. Ik ging de trap op om even te kijken. Ja, ze sliepen.

Is ouderschap universeel? Word je, als je eenmaal kinderen hebt, vooral een angstig mens? Ik denk het wel. Het moment waarop er kinderen zijn, worden we argwanend tegenover de toekomst.

Toen mijn dochter een jaar oud werd, huurde ik voor heel veel geld een videocamera. Tegenwoordig kun je die dingen voor een paar honderd euro kopen, maar in die tijd ging het om een bakbeest op een statief en mijn dochter die net kon lopen had de onhebbelijkheid telkens naar mij toe te komen en mij te vragen waarom ik me achter dat grote zwarte ding verschool. Het was angst, kleine meid, angst. Filmen en vastleggen, voor weet ik veel wanneer en waarom, maar laat me niet overkomen wat Anna Enquist overkwam.

Een andere uitspraak van Anna Enquist die ik niet meer zal vergeten: `Ik heb altijd geprobeerd goed te voelen wat me gebeurt, omdat je zo de herinneringen aanmaakt waarop je later teert'.

Wat een zin. Heeft ze die ter plekke bedacht? Heeft ze zo totaal terloops het onderscheid aangegeven tussen intelligente mensen en gewone mensen? Gewoon is als je voelt en verder gaat, ofwel vergeet. Je hoort een mooi lied, je krijgt koude rillingen, en als het lied is afgelopen, gaan we weer aan de chips en een goed glas bier. Gewoon is als we in tranen zijn, wanneer we het kind voor het eerst in de armen krijgen, om het daarna te vieren met onze vrienden en familieleden, met een sigaar en een goed glas bier.

Anna Enquist zegt er dit over: `Je geeft je kinderen uit liefde te eten, maar het ambivalente is dat je ze op die manier groter maakt, van je afduwt. Het begint al met de uitdrijving uit de baarmoeder en het doorknippen van de navelstreng. En dan groeien ze groter, almaar groter, en ze gaan naar school, en de juffrouw is verdomme liever dan jij, en ze willen op kamers, en...'

Hoe als ouder, als mens in het algemeen, goed te voelen wat er gebeurt, opdat je de herinneringen aanmaakt waarop je later teert? Dat is geen geringe opgave. De meesten van ons kunnen dat niet. Daarom huren we videocamera's en maken we stapels foto's, en die leggen in kleuren de buitenkant vast, en niet wat we hadden willen vastleggen: het gevoel.

Wat Anna Enquist hier zegt, is de definitie van literatuur. De essentie van de roman. Maar de meesten van ons zijn geen romanciers, laat staan dichters. En de meesten van ons raken geen kinderen kwijt door vreselijke ongelukken. En toch zijn we vrezende, kwetsbare mensen. Kinderen krijgen ons altijd klein.

Het meest opvallende aan het vraaggesprek is dat het doet denken aan een dialoog van Harold Pinter. Zoals Pinter twee mensen volstrekt langs elkaar heen kan laten praten, zo lijkt Anna Enquist geen antwoord te geven op de gestelde vragen. Het kan aan de stijl van Frénk van der Linden liggen, maar hierdoor juist wordt zij volstrekt autonoom. Zij dicteert de toon, zij is alleen met haar gedachten. Hoe kan het anders, bij zo'n tragedie?

Tegelijkertijd is het interview een lang gevecht tegen de tragiek, of misschien moet ik zeggen: tegen de sentimentaliteit. Letterlijk zegt ze dat ze niet larmoyant wil overkomen, terwijl ze daar elk recht toe heeft. Maar ze laat zich er niet toe verleiden, ze blijft een dame van stand, en juist daarom zou je haar willen omhelzen om haar uit te laten huilen. Maar uithuilen doet Anna Enquist niet. Want dat zou een begin zijn van het vergeten. Van het verlies van gevoel.

ramdas@nrc.nl