St. Petersburgs orkest verbluft in Russisch concert

Het St. Peterburg Philharmonisch Orkest, dat gistermiddag in het Amsterdamse Concertgebouw optrad in de serie `Wereldberoemde symfonieorkesten', was legendarisch als het Leningrad Philharmonisch Orkest. Bijna vijftig jaar werd het orkest geleid door Jevgeni Mravinski, overleden in 1988. Sindsdien is Joeri Temirkanov de chef, net als Valery Gergjev een leerling van Ilja Moesin. Hij is ook Gergjevs voorganger als artistiek directeur en chef-dirigent bij de Kirov Opera.

Traditie straalt alleen al af van de bijzondere opstelling van het in 1882 opgerichte orkest. De tweede violen zitten rechts, maar veel opmerkelijker is dat de celli en bassen links zitten, tussen de eerste violen en de altviolen. De harpen zijn opgesteld naast de pauken, het koper zit rechtsachter. En Temirkanov is een man van weinig gebaren: hij zorgt voor gelijkheid maar organiseert ter plaatse geen extra expressie. Het orkest kent de muziek en de interpretatie door en door, het speelt wel vanzelf en het resultaat hoeft niet te worden bijgesteld.

Eerdere optredens van Temirkanov en zijn orkest in ons land konden de faam uit het verleden niet altijd bewijzen. Maar gisteren kwamen ze een heel eind in een fraai geprogrammeerd, compleet Russisch programma, dat in stijl en uitwerking zeer gevarieerd was. Prokofjevs Eerste symfonie (de `Klassieke') was een serie luchtige en moeiteloos terloopse stijloefeningen: spits, licht, briljant, zwierig en elegant. Het groot bezette symfonieorkest opereerde hier soms als een mini-kamerorkest, dan weer als een laat-romantische formatie.

Stravinsky's symfonische gedicht Chant du rossignol, naar Andersens sprookje over de nachtegaal en de Japanse keizer, eveneens in 1917 voltooid, klonk in een virtuoze uitvoering als een stuk uit een andere, latere eeuw: een reeks sterk beeldende vreemdsoortige kleurrijke en veelal exotische schetsen. Geen noot is hier te veel. Stravinsky schreef muziek zoals Japanse kunstenaars prenten maken: met even karige als weloverwogen middelen een zo sterk en zo suggestief mogelijk effect bereiken.

Sjostakovitsj' Vijfde symfonie, dat het orkest in 1937 in première bracht, werd zeer geconcentreerd, intens en indrukwekkend gespeeld, niet alleen met grote contrasten maar ook in de klank in wrange, wringende delen met veel nuances. Imposant in het laatste deel met het bijna Mahleriaanse slot, was de lange en luide passage met miriaden van stralende zeer hoge noten. Het was alsof het uitspansel zich meer en meer vulde met glinsterend vuurwerk dat nooit meer uitdoofde.

Er was publiek succes en er waren toegiften van Rimski-Korsakov en Prokofjev. Toch was het subjectieve probleem in Sjostakovitsj dat het buitengewone spel van de St. Petersburgers zo objectief, authentiek, bijna perfectionistisch en geserreerd is. Onder de schitterende en verbluffende buitenkant miste ik in de aanpak van Temirkanov iets van zichtbare en hoorbare gedrevenheid, inspiratie, emotie en spanning aan de binnenkant: een sfeer van beklemming.

Concert: St. Petersburg Philharmonisch Orkest o.l.v. Joeri Temirkanov. Gehoord: 17/2 Concertgebouw Amsterdam.