Op zoek naar een oude liefde

Plaatsvervangende schaamte maakt zich van je meester wanneer Erica Terpstra haar feestneus opzet. Dan zingt ze, lalt ze en lult ze dan is alles geweldig. Niets kan haar tegenhouden wanneer ze in haar oranje pij de polonaise inzet. Op een even aanstekelijke als aandoenlijke manier probeert ze jongens, meisjes, mannen en vrouwen, houten klazen en stijve harken te bewegen mee te hossen in haar dans van bevrijding en vrolijkheid.

Het is een fascinerende vrouw. Want wie haar ziet praten en bewegen, gaat nadenken over haar motivaties en over zijn eigen gedrag. Is het haar doel sombere, mopperende en sukkelende omstanders te bevrijden? Wil ze laten zien dat dansende en sportende mensen het eeuwige leven hebben – zelfs na de dood? Of is het haar eigen individuele preoccupatie: bezig zijn met het verdringen van vervelende en tot nadenken zettende emoties?

Toen ze nog staatssecretaris van Sport was, bracht ze Nederland in verwarring. In het land waar intelligente mensen niet hoorden te sporten, niet over sport hoorden te praten en niet over sport hoorden te schrijven ging ze voor in de polonaise van sportverdwazing. Zelfs als er geen goud blonk, probeerde ze de Nederlandse bevolking tot enthousiasme te bewegen. Haar mede-kabinetsleden lieten zich onwennig meesleuren in de carnavalsdans en de ambtenaren op haar departement wisten niet meer hoe ze Erica weer in het gareel konden krijgen.

Het werd een vrolijke tijd. Sport werd carnaval. Oranje werd de kleur van sportland Nederland. En passant werd in het land van regen en ratio sport ook serieuzer genomen. Overal waar Erica kwam werd aan sport, aan sportbeleving en aan sportsuccessen gedacht. Jongens, zei ze, doe niet zo moeilijk, ga ervoor, het leven is maar kort, geniet ervan. Ze bracht sport tot leven. Ze bracht stijve harken in beweging. Ze ontdooide bevroren, emotieloze lichamen.

Eens won ze een olympische medaille, heel lang geleden, in de meest Hollandse sport die men maar kan bedenken: zwemmen. Niemand weet er nog van, alleen Anton Geesink, de legendarische judoka die op dezelfde Spelen (Tokio, 1964) een gouden medaille won. Daarom werden Anton en Erica vrienden, oude kameraden. Samen zetten ze de Nederlandse sportwereld op zijn kop. Sport moest aan de weg timmeren, zei Anton tegen Erica. Erica zei: graag, Anton. En samen gingen ze de dansvloer op. Anton met zijn zwakke knieën, leunend op Erica in haar oranje pij.

Anton danst nog steeds, want Anton is onverzettelijk. Erica heeft moeten afhaken. Onder haar opvolgster, Margo Vliegenthart, wordt minder gedanst en gezongen. Het hoeft niet meer. Sport is, dankzij Erica, ingeburgerd. Sport mag, over sport mag gepraat en geschreven worden. Vliegenthart pakt sport serieus aan, ze is minder opportunistisch. De ambtenaren kunnen haar volgen. Als ze danst, doet ze dat in stijl: ingetogen, verlegen, op gepaste afstand, verstandig.

Erica danst weer alleen. Het leven van een ballerina houdt eens op. Amechtig probeert ze een partner te vinden om weer aan een dans te beginnen. Mogelijk een bevriende sponsor, mogelijk een bevriend bestuurslid of een bevriende sporter. Het is triest en treurig haar op zoek te zien gaan naar een oude liefde. Zij wil wel, maar hij niet meer. Waarom, vraagt ze zich af, ik ben toch altijd een en al liefde en toewijding geweest, ik heb hem dansen geleerd, ik heb hem zingen geleerd, ik heb hem de waarde van het leven bijgebracht, zonder mij was sport nog zonder waarde. Afwijzing, weet Erica, is het ergste wat een mens kan overkomen.