Noodopvang te zwaar middel tegen bolletjesslikkers

Morgen behandelt de Eerste Kamer de tijdelijke wet die erin voorziet dat bolletjesslikkers in meerpersoonscellen worden opgesloten. M. Boone, G. de Jonge en C. Kelk vinden dat een ruk aan de noodrem op zijn plaats is. Er mag volgens hen niet getornd worden aan belangrijke verworvenheden van het penitentiaire bestel.

De tijdelijke wet `Noodopvang drugkoeriers' maakt het mogelijk dat drugskoeriers hun detentie ondergaan in meerpersoonscellen onder omstandigheden die ver beneden het niveau liggen zoals dat krachtens de Penitentiaire Beginselenwet (PBW) voor de gedetineerden in het algemeen geldt. GroenLinks voert als argument tegen deze selectiviteit dan ook terecht het gelijkheidsbeginsel aan.

Op zichzelf genomen is verschil in gevangenisregimes mogelijk binnen het Nederlandse gevangeniswezen, maar deze moet dan ten dienste staan van de terugkeer in de samenleving van gedetineerden. Selectie in negatieve zin op basis van het soort delict dat gepleegd is, is een unicum en volstrekt niet te rechtvaardigen. Het enige argument dat de minister van Justitie hiervoor aanvoert, is dat de huidige noodsituatie door deze groep wordt veroorzaakt.

De nood wordt echter gecreëerd door een algeheel tekort aan cellen (een probleem waar de minister vaker mee worstelt), zodat men de drugskoeriers als groep niet kan verwijten dat zij daarvoor verantwoordelijk zijn. Als de minister echter bij zijn standpunt blijft, zou het op basis van het recht nog beter te verdedigen zijn om de voorziening van meerpersoonscellen dan maar open te stellen voor verdachten van alle strafbare feiten.

Inbreuken op grondrechten kunnen volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alleen worden gelegitimeerd als ze noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Voor zo vergaande inbreuken als hier worden bepleit moet de nood dus wel heel erg hoog zijn. Wij vragen ons ernstig af, of dat hier het geval is. In de eerste plaats omdat volgens Interpol slechts 0.3 procent van alle drugs die worden onderschept, afkomstig is van `bolletjesslikkers'. Het merendeel van de drugs die Nederland worden binnengesmokkeld, wordt per schip vervoerd, slechts een fractie komt via Schiphol Nederland binnen. Weliswaar is de wet niet beperkt tot personen die via Schiphol Nederland in of uitkomen, maar de noodsituatie wordt wel uitsluitend op de groei van deze groep gebaseerd.

In de tweede plaats vereist toepassing van het strafrecht altijd een individuele toetsing. Zijn de feiten waar het hier om gaat nu op zichzelf beschouwd dermate ernstig dat ze een zo vergaande inbreuk op grondrechten legitimeren? Ons inziens niet. Ieder strafbaar feit is ernstig en kan in termen van een inbreuk op de rechtsorde worden gedefinieerd. Wanneer we echter voor de bestrijding van alle feiten de zwaarste middelen willen inzetten, wordt het strafrecht onbeheersbaar, onbetaalbaar en in zijn uitvoering inhumaan, hetgeen afbreuk doet aan zijn legitimiteit.

Vervolgens moet de overheid op grond van het zogeheten subsidiariteitsbeginsel altijd overwegen of het gestelde doel niet met minder ingrijpende, subsidiaire, middelen kan worden bereikt. Behalve het bestrijden van de economische crisis op de Antillen (de belangrijkste oorzaak voor de toename van het aantal bolletjesslikkers), komen daarvoor zeker twee andere middelen in aanmerking.

De eerste is voortzetting van het huidige beleid. Het doel van de wet is te voorkomen dat de drugskoeriers bestraffing ontlopen. Primair is hier echter niet het achterwege blijven van bestraffing aan de orde, maar het niet in staat zijn inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis toe te passen. Volgens het huidige beleid worden de drugskoeriers met een dagvaarding terug op het vliegtuig gezet. Onder normale omstandigheden volgt daarop behandeling van de zaak ter terechtzitting met als gevolg een mogelijke veroordeling en bestraffing. Wanneer de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt, kan hij of zij bij verstek worden veroordeeld. In dat geval kan een arrestatiebevel worden uitgevaardigd op grond waarvan iemand van zijn vrijheid kan worden beroofd. Wanneer de veroordeelde zich in het buitenland bevindt, kan op basis van een rechtsgeldig verdrag ook uitlevering aan het betreffende land worden gevraagd of kan de uitvoering van de opgelegde straf aan dat land worden overgedragen. Vergelijkbare afspraken zijn mogelijk met de Nederlandse Antillen (en Aruba).

De veronderstelling in het wetsvoorstel dat het achterwege laten van voorlopige hechtenis automatisch leidt tot het ontlopen van bestraffing klopt dus niet. Bovendien is het de vraag of met de bovengenoemde maatregelen niet al van een zodanige vrijheidsbeperking sprake is voor betrokkenen dat het in materiële zin al een proportionele straf is.

In de tweede plaats heeft de minister samen met de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen een protocol ondertekend waarin een plan voor de gezamenlijke aanpak van de drugsbestrijding is opgenomen. Zo zullen extra controles worden uitgeoefend op de luchthavens in de Antillen. Vergelijkbare afspraken zouden kunnen worden gemaakt met Suriname, waar ook een deel van de drugskoeriers van afkomstig is. In afwachting van de resultaten van deze maatregelen, kan de invoering van het onderliggende wetsvoorstel worden uitgesteld.

De voorgestelde afwijkingen van de algemeen geldende penitentiaire regelgeving zijn draconisch. Zo is nauwelijks voorzien in dagbesteding en ontbreekt een regeling die het mogelijk maakt de godsdienst of levensovertuiging in vrijheid te beleven en te belijden wat de uitoefening van dit belangrijke grondrecht feitelijk tot een dode letter maakt. Men kan zich zelfs afvragen of hier geen sprake is van een `onmenselijke behandeling' in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, een aspect waarover een afzonderlijke brief is geschreven naar de Commission for the Prevention of Torture (CPT) van de Raad van Europa. Het enige argument dat de minister aanvoert voor deze beperkingen op de normale rechten van gedetineerden, is het personeelsgebrek waarmee hij kampt, zodat al deze maatregelen ook aan dit criterium zullen moeten worden getoetst.

De Raad van State en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming hebben al tal van voorstellen voor verbetering gedaan. Nog één opmerking in dit verband. Met een beroep op personeelsgebrek worden ook een aantal rechtsgangen voor de gedetineerde afgesneden.

Zo kan hij geen bezwaar en beroep meer indienen tegen de beslissing over de plaats van de detentie en tegen hem betreffende medische beslissingen en is hoger beroep tegen een beklagzaak niet meer vanzelfsprekend. Ook wordt er geen commissie van toezicht ingesteld bij de in de wet voorgestelde voorziening.

Het personeelsgebrek in de penitentiaire inrichtingen is bekend. Maar dit geldt in mindere mate voor de instanties die de hier genoemde voorzieningen moeten leveren. Daarbij gaat het immers om onafhankelijke burgers die toezicht op een correcte en humane behandeling van de gedetineerden moeten uitoefenen.

Mocht de wet toch worden ingevoerd, dan moet de minister een uiterste inspanning leveren om de formele rechtsbescherming in stand te houden. Controle van buitenaf is geen overbodige luxe.

Mr. M. Boone is universitair docent Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht; mr. G. de Jonge is universitair hoofddocent strafrecht en criminologie van de Universiteit Maastricht; dr. C. Kelk is hoogleraar straf(proces)recht en penitentiair recht aan het Willem Pompe Instituut.