Kritiek op controle vuile grond

Het ministerie van VROM en de Belastingdienst zijn tekortgeschoten bij het opzetten en uitvoeren van controle op de verwerking van vuile grond bij bodemsaneringen.

Dit concluderen onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam in een onderzoek naar de bestuurlijke verantwoordelijkheden bij het Service Centrum Grond (SCG) in Houten.

Deze semi-publieke organisatie beoordeelt namens het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu de reinigbaarheid en het hergebruik van grond die vrijkomt bij bodemsaneringen.

Morgen begint voor de rechtbank in Rotterdam een strafproces tegen drie medewerkers en twee ex-medewerkers van het SCG.

De vijf worden verdacht van het afgeven van twintig valse verklaringen. Met de valse verklaringen kon tussen 1995 en 1998 afval als dakgrind, slibresidu en boorgruis gestort worden als `niet-reinigbare grond'. Het storten van grond met een verklaring van niet-reinigbaarheid is vrijgesteld van heffingen in het kader van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Met de valse verklaringen konden de afvalverwijderaars ten minste 3,4 miljoen euro (7,5 miljoen gulden) aan belasting ontduiken.

Ook de rechtspersoon SCG wordt vervolgd. Afvalverwijderaars en stortplaatsen, waaronder Proav in Dordrecht, hebben schikkingen aangeboden gekregen voor het gebruik van de valse verklaringen. De bestuurders van de stichting SCG worden niet strafrechtelijk vervolgd.

In opdracht van het openbaar ministerie deden onderzoekers van de Erasmus Universiteit onder leiding van de bestuurskundigen prof.dr. A. Ringeling en prof.dr. E. ten Heuvelhof onderzoek naar de bestuurlijke verantwoordelijkheden. De onderzoekers concluderen in hun rapport `Zelfreinigend vermogen?' dat alle ,,actoren' verwijten zijn te maken. De onderzoekers achten echter de rol van het ministerie van VROM en, in tweede instantie, de Belastingdienst ,,het meest problematisch'. Beide zijn ,,tekortgeschoten' in aandacht voor controle en fraude in de afvalketen. In het midden van de jaren negentig was in brede kring bekend dat de keten vele mogelijkheden bood voor frauduleus handelen. Hoewel VROM, oprichter en financier van het SCG, verantwoordelijk was voor het toezicht, viel het SCG ,,bij controles tussen wal en schip'. VROM en Belastingdienst hadden een risicoanalyse moeten maken, aldus de onderzoekers. [Vervolg VUILE GROND: pagina 3]

VUILE GROND

Aanwijzingen niet goed opgepikt

[Vervolg van pagina 1]Met zo'n risico-analyse zouden de problemen rond de werkwijze van het SCG aan het licht zijn gekomen en hadden maatregelen genomen kunnen worden, aldus de onderzoekers.

Voorts verzuimde VROM als beleidsmaker een duidelijke definitie van het begrip `niet-reinigbare grond' vast te leggen. Dat had in 1995 moeten gebeuren, maar het ministerie kwam er pas vier jaar later mee. Hierdoor was het lang onduidelijk of een aangeboden partij grond afval was. Het ministerie is volgens de onderzoekers ook medeverantwoordelijk voor de trage reactie op een kritisch rapport van de eigen inspectie Milieuhygiëne. Die signaleerde al in 1996 het mogelijk misbruik van verklaringen, maar dat leidde pas in 1999 tot beleidswijzigingen.

Uit het onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat ook het SCG-bestuur blaam treft. Het bestuur is volgens de onderzoekers ,,te naïef geweest waardoor de problemen te lang niet zijn onderkend'. Zo controleerde het SCG tussen 1995 en 1998 niet de gegevens over partijen grond die afvalverwijderaars aanleverden. Hierdoor ontstond ,,ruimte' voor misbruik van de niet-reinigbare grond verklaringen.

Het toezichthoudend SCG-bestuur, samengesteld uit vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en rijk, had ,,kritischer en scherper' moeten zijn. Overigens is de onderzoekers niet gebleken van een oorzakelijk verband tussen het functioneren van het bestuur en het misbruik van de verklaringen.

Voor het bestuur was het ,,business as usual', signalen over mogelijk misbruik zijn niet goed opgevangen, aldus de onderzoekers. Het SCG had bij de vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en rijk die in het bestuur zaten ,,geen hoge prioriteit'.

Toen de feiten gepleegd werden, werd het SCG-bestuur gevormd door onder anderen het huidige Tweede-Kamerlid H. van der Steenhoven (GroenLinks), de Brabantse gedeputeerde L. Verheijen (PvdA) en de Deventer wethouder A. Scholten (VVD).

Hoge ambtenaren van VROM zaten ook in het bestuur. Zij mochten in strijd met de regels van het rijk hun inkomsten als SCG-bestuurder behouden. Minister Pronk (VROM) trok zijn vertegenwoordigers eind 2000 uit het bestuur terug.

In het rapport krijgt de Tweede Kamer een deel van de schuld. Die heeft lange tijd geen aandacht gehad voor het SCG. ,,Het onderwerp had weinig prioriteit', aldus de onderzoekers.