Wraak na goede tijden

Protestpartijen zijn een luxe verschijnsel. Vooral als het ophoudt goed te gaan, worden Nederlanders wraakzuchtig en gaan ze protesteren tegen het establishment. De economie verklaart waarom Pim Fortuyn zich juist nu sterk waant.

Nederland is boos. Nederland zint op wraak. Na ruim een half decennium van voorspoed en geluk roept de gezeten politieke stand de toorn op van de burgerij. Links en rechts, stad en land: her en der, maar vooral in de hogere middenklasse gromt de wrok over de boedel die paars achterlaat. Volgens de peilingen vóór de breuk binnen Leefbaar Nederland afgelopen weekend zou deze nieuwe formatie op ongeveer 14 procent van de stemmen kunnen rekenen. Eén op de zeven burgers wil afrekenen met het bestel. Eén op de zeven kiezers wil iets nieuws. Eén op de zeven Nederlanders wil herrie in de tent.

Dat lijkt onbeschaamd. Zelden is het de burger zo goed gegaan. Ook vorig jaar was de economische groei nog altijd 1,1 procent. Sinds Kok aan de knoppen zit, zijn we aldus gemiddeld 25 procent rijker geworden. Maar nu hij vertrekt, krijgt zijn coalitie stank voor dank. Wat is dit voor volk? Waarom krijgen zij die de welvaart hebben gestut nu opeens een pak slaag?

Het is de economie, sukkel. Het antwoord ligt verscholen in het bruto binnenlands product (bbp), die statistiek waarin onze economische prestaties gezicht krijgen. Het draait daarbij niet zozeer om de absolute winst- of verliescijfers als wel om de vraag of de koe gouden horens houdt.

Electorale trends worden aangejaagd door talloze processen. Ze hebben te maken met de programma's van de partijen, met de persoonlijkheid van hun leiders, met de afstand tussen de formele agenda van regering of parlement en de feitelijke zorgen in de samenleving. Maar uiteindelijk is het vooral de economie die de kiezer inspireert.

Gaat het simpelweg beroerd met de volkshuishouding en balanceert de groei van het bbp rond nul – eind jaren zeventig/begin tachtig – dan klitten de meeste burgers samen. Dan is de behoefte aan experimenten hooguit in geringe mate aanwezig en vertrouwt de goegemeente op de wijsheid van het establishment. Maar als de in het verleden behaalde resultaten geen garantie voor de toekomst blijken, ontstaat er protest. Juist in gematigd onzekere tijden worden burgers, die net hebben geprofiteerd, kwaad dat de kleine lettertjes onder het beleggingscontract geen versiering zijn maar realiteit. Als de roes nog verdooft, maar de kater op de loer ligt, lijkt de politieke economie op een discotheek omstreeks sluitingstijd: de muziek gaat slijpen, de lampen floepen aan, het publiek ziet zichzelf plots in al zijn lelijkheid en gaat op zoek naar een `chill-out party' om de hoofdpijn wat uit te stellen. Het is net als met het weer: de `gevoelsgroei' is belangrijker dan de werkelijke groei.

Gekrenkt optimisme is daarom linker dan bestendig pessimisme. Protestpartijen zijn daarmee vooral een luxe verschijnsel. Ze zijn een derivaat van de voorwaarts marcherende burgerij die zich er niet bij kan neerleggen dat rijkdom toch begrensd blijkt.

Onbetamelijk? Nee. Hier volgt het bewijs.

In de grafiek op pagina 2 is de reële groei van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking uitgezet als afwijking van het gemiddelde in de voorgaande vier jaar. De donkere lijn illustreert in welke mate de economie ten opzichte van de recente herinnering groeit, stagneert of krimpt. De periode van vier jaar is om politieke redenen gekozen. Vier jaar is de maximale zittingstermijn van de Tweede Kamer. Tien hoogte- en elf dieptepunten zijn zichtbaar.

Slechts twee hoogtepunten van toenemende groei (voor 1956 en 1989) vielen min of meer samen met Kamerverkiezingen. Dat is jammer voor de statistiek. Maar niettemin: in 1956 noch in 1989 heeft een nieuwe protestpartij haar kans kunnen grijpen.

Omstreeks de elf teleurstellende jaren is Nederland wel en meestal volgens het reguliere schema ter stembus gegaan. Slechts twee van de elf keer hebben de gevestigde partijen het droog weten te houden: in 1977 en in 1986. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat de grote drie partijen in deze jaren werden geleid door charismatische politici die niet monkelden maar politiek bedreven, te weten Joop den Uyl en Hans Wiegel respectievelijk Ruud Lubbers.

De andere negen keer is minstens één protestpartij de Tweede Kamer binnengedrongen.

Protestpartijen zijn er in soorten en maten. Er zijn er die met een `practical joke' de rust van het establishment willen versjteren, zoals de legendarische Rapaljepartij die in het Amsterdam van de jaren twintig goed was voor ruim 14.000 gegoede kiezers die veelal uit Zuid kwamen. Er zijn regressieve protestpartijen als de Boerenpartij in de jaren zestig die appelleren aan de burgers die niet mee kunnen komen in de modernisering. Rancune is dé drijfveer. En er is de antibestel-partij. Rancune is deze anti's niet vreemd, maar wordt vaak aan het oog onttrokken door de provocatie waarmee het establishment wordt uitgedaagd. D66 was in 1966 de optimistische variant. Leefbaar Nederland wil dat nu zijn.

Al deze protestpartijen hebben twee dingen gemeen. Ze zijn bijeengeraapt wat betreft ledenbestand en gedachtegoed. En ze keren zich tegen de drie hoofdstromen die sinds het algemeen kiesrecht in 1918 domineren. Ze willen dat de klassieke sociaal-democraten, liberalen en confessionelen of christen-democraten een toontje lager zingen.

Vanaf de Eerste Wereldoorlog zijn de partijen, die na 1945 PvdA, VVD en CDA zijn gaan heten, immers altijd in het parlement vertegenwoordigd geweest. Maar volstrekt rustig is het vooral na de bevrijding zelden geweest. Vanaf het begin van herzuild en herrezen Nederland hebben nieuwe partijen geprobeerd roet in het eten te gooien. Alle nieuwelingen protesteerden eerst en hoopten daarna op een doorbraak. Eigenlijk is alleen D66 er in geslaagd te beklijven en moet de tijd leren of hetzelfde geldt voor de Socialistische Partij (SP). De anderen zijn verdwenen of gefuseerd. Nooit is een nieuwe partij er in geslaagd de kiezer tijdens voortdurende hoogconjunctuur te bekoren.

Om bij het begin te beginnen. Het eerste verkiezingsjaar na de bevrijding in 1950 is eigenlijk niet representatief. Na een ononderbroken jaarlijkse krimp tijdens de bezetting van minimaal 2,4 en maximaal 32,9 procent schommelden de eerste wederopbouwjaren zo heftig dat er amper statistisch peil op te trekken is. Toch biedt ook deze periode een protestpartij een kans. Wanneer de economie in 1948 begint te stagneren – pas in 1953 laat de Marshallhulp zich voelen – en Nederland zich verstrikt weet in het Indonesische moeras, dient zich een splinter van de KVP aan: de Katholieke Nationale Partij van ex-minister Welter van Koloniën. In 1948 haalt de KNP één zetel in de toen honderdkoppige Tweede Kamer, vier jaar later twee.

Vanaf 1952 jubelt de economie. Totdat het in 1958 misgaat. De geleide loonpolitiek en bestedingsbeperking beginnen te wringen. In dit jaar zakt de economische groei zelfs onder nul. Het gaat op basis van de cijfers dus `echt slecht'. De rooms-rode coalitie van KVP en PvdA, die twaalf jaar lang heeft geregeerd, sneuvelt. Verkiezingen zijn geboden. Slechts één nieuwe partij doet in 1959 haar intrede: de Pacifistisch Socialistische Partij, twee jaar eerder opgericht door een amalgaam van socialisten, pacifisten, vrijzinnige christenen en andere daklozen. Veel stelt haar succes niet voor: twee zetels.

Tijdens het kabinet-De Quay (1959-63) gaat de economische weg weer omhoog. Totdat de beginnende loonexplosie de feestvreugde wat begint te verstoren. En ziedaar: in 1963 is het bij de Tweede-Kamerverkiezingen echt bal. De verzuilde kiezer zweeft nog amper, toch slagen twee nieuwe partijen erin het Binnenhof binnen te dringen. De Boerenpartij (3 zetels) en het Gereformeerd Politiek Verbond (1). De PSP weet zich ineens door vier mannen vertegenwoordigd.

Vervolg op pagina 24

Wraak na goede tijden

Vervolg van pagina 23

Vooral de Boerenpartij heeft een uitgesproken protestkarakter. De `vrije boeren' van Koekoek vinden hun oorsprong in het verzet van de kleine agrariër tegen de schaalvergroting in de landbouw en de dwingende rol die het Landbouwschap daarbij speelt. Het Landbouwschap is een publiekrechtelijk orgaan en een treffend instrument van de verzuilde consensusmaatschappij die rooms-rood na de oorlog heeft gebouwd.

Koekoek zit nog niet in de Kamer of het gaat bergopwaarts met de economie. In vijf jaar neemt de koopkracht met een kwart toe, de snelste verrijking van de individuele Nederlander in de 20ste eeuw. Zelfs in de jaren negentig zouden we er tien jaar over doen om het 25 procent beter te krijgen.

Maar middenin deze periode zit een dip: 1966, het jaar van de mijnsluitingen, van Provo en het Huwelijk, de Nacht van Schmelzer en Jan Nagels Tien over Rood dat het fundament legt voor de machtsovername door Nieuw Links in de oude PvdA.

In 1967 gaan we ter stembus. De uitslag is geen schok, nee, de uitslag is revolutionair. De PSP is haar climax voorbij – ze had een jaar eerder bij de Statenverkiezingen het beste resultaat ooit geboekt – maar de Boerenpartij is een kaakslag: van drie naar zeven zetels. En daarbij blijft het niet. Amper opgericht haalt D66 al 4,77 procent van de stemmen, goed voor zeven zetels.

Vier jaar later, in 1971, is het wederom enigszins mis met het `groeigevoel'. Opnieuw blijken drie nieuwe partijen levensvatbaar. De traditionele sociaal-democraten die zich door Nieuw Links voelen uitgedreven halen met DS'70 vanuit het niets acht zetels. Twee andere protestpartijen komen met twee zetels binnen. De Politieke Partij Radicalen, merendeels bevolkt door katholieken die zich door KVP-leider Schmelzer bedonderd voelen. En de Nederlandse Middenstandspartij, een club met afwasborstelfabrikant Jac. de Jong uit Vorden, bekend van `Sorbo hier, Sorbo daar, Sorbo is uw hulp in huis'. Een jaar later volgt de Rooms-Katholieke Partij Nederland (RKPN).

Het duurt vervolgens bijna tien lange jaren voordat er weer een zetel in de Kamer moet worden vrijgemaakt voor een vreemde eend in de bijt.

In 1981 haalt de Reformatorisch Politieke Federatie twee zetels. In de verkiezingen van een jaar later komen er twee nieuwelingen. Het is absoluut een beroerde tijd. 1982 is zelfs een rampjaar: de banen vliegen er met tienduizenden per maand uit en de economie krimpt 1,2 procent, de grootste daling sinds 1944. De consternatie is enorm: Janmaat komt. Maar zijn Centrumpartij is anno 1982 amper groter dan de brave Evangelische Volkspartij van progressief gereformeerde spijtoptanten. Kwantitatief mag het dus geen naam hebben. Meer dan één zetel haalt Janmaat niet.

De jaren tachtig zijn, zoals bekend, miezerige jaren. In de zeven jaar dat CDA-premier Lubbers met de VVD aan het bewind is, houdt pessimisme, gevoed door de voorbije periode, het land in zijn greep. Pas in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) krijgt de kiezer het weer op zijn heupen. Terwijl de portemonnee in 1993 niet dikker wordt, staat er nog meer sanering op stapel. Het psychologisch effect is immens. Hoewel het minder-meer van de economische groei in absolute én relatieve zin weinig voorstelt, richt de kiezer in 1994 een slachting aan. Voor het eerst in twintig jaar halen drie min of meer nieuwe partijen uit, vooral ten koste van het CDA. De winnaars? De SP, ooit een leninistische partij die op de puinhopen van het afgeschreven katholieke proletariaat in Oost-Brabant naar de Randstad is opgerukt, met twee zetels. De Centrumdemocraten van Janmaat komen nu terug met drie, een record. En de bejaardenpartijen AOV en Unie55+ krijgen samen ineens zeven zetels.

Paars grijpt onder leiding van premier Kok parlementair de macht. Na vier jaar blijkt alleen de SP meer te zijn dan een eendagsvlieg. De groeipercentages in de tweede helft van de jaren negentig zijn zo rooskleurig dat de kiezer zich in 1998 onbekommerd dankbaar toont. Zes jaar lang lijken de verwachtingen ongestoord te kunnen worden ingelost. Tot dat verdomde jaar 2001. De pit is er uit. De materiële verworvenheden blijken niet zo vanzelfsprekend. De echte groei valt terug van 3,9 naar 1,1 procent. In één jaar duikelt de `gevoelsgroei' daarom dik onder nul. Dat roept om wraak. Ziedaar het gat waarin Leefbaar Nederland respectievelijk Fortuyn wil springen. Zes jaar lang heeft de burger zich mogen verheugen op een feest zonder einde. En nu springt in de danszaal de tl aan. De politieke couponknipper voelt zich bedrogen.

Met medewerking van Maarten Schinkel