Where are you comming from, sir

Ik moet van Amsterdam naar Groningen, want daarginder wachten mensen op me die zich met Groningse groene zeep hebben gewassen om een hele avond naar me te luisteren. Ik neem de avondtrein van half zes, dan ben ik dik op tijd om tegen half negen met mijn voorlezerij te beginnen. Ik haat gehaast en gedrang. Rustig een werkcoupé in de eerste klas opzoeken, dan kan ik nog wat voorbereiden.

Om me heen hangt de geur van vers geloogd en gepoetst leder. Ik heb namelijk vanochtend een prachtige kalfsleren schoudertas gekocht. Heel chique. Roodbruin met zo'n mooie royale klep naar beneden. Ik hing hem voor de gangspiegel nonchalant over mijn linkerschouder, maar toen ik het zootje ongeregeld bij de ingang van het Centraal Station zag, deed ik hem meteen om mijn nek en hield hem stevig met twee handen vast. Die mij van mijn tas wilde beroven moest van goeie huize zijn. Bij het kaartje kopen zat hij me behoorlijk in de weg. Hij gleed voor mijn borst precies tussen het loket, en de gesp schuurde in mijn nek. Achter me stond een rij te dringen. Zonder bril heb ik geen zicht op mijn euro's. Zie je wel, daar valt mijn portemonnee al op de grond. Ik ga er meteen met mijn voet op staan. Mijn papiergeld dwarrelt alle kanten op. Ik word door een lange puistenkop aan de kant geduwd. Denk je dat dat NS-monstertje, dat amper boven haar kassa kan uitkijken, die man terechtwijst door te zeggen: die meneer met zijn mooie kalfsleren tas was vóór u?

Als ik boven op het perron van de roltrap stap verlies ik bijna mijn evenwicht vanwege mijn tas en zie ik het meteen aan de geweldige drom mensen: vertraging. Uit de luidsprekers flarden onheilsberichten. Daar heb je het al – iemand drukt een bak friet met pindasaus tegen mijn tas. Met een dik half uur vertraging komt er een trein. Ik zit wel heel erg krap tegen een geblondeerde vrouw aan. Het is hier benauwd vol, maar er komen nog meer mensen binnen. Na drie kwartier stilstaan worden we gesommeerd de trein uit te gaan. In één ruk stormt de meute naar buiten. Halverwege knarst de luidspreker iets over een stoptrein en een perron. Alles rent de trappen af. Duwen. Trekken. Stompen. Een oude mevrouw valt tegen de grond, de meneer naast haar wil haar helpen, maar er wordt over hem heen gesprongen. Ik kan hen niet bereiken. Ik word voortgeperst. Aan de rand van het perron kom ik bijna onder een aanstormende Thalys. Eindelijk kruipt de trein met mij het duister vol regen en ongewisheid binnen. Maar niet te vroeg gejuicht. Daar staan we alweer op een spoorbrug met naast ons een andere trein en beneden een snelweg met dubbele file. Achter me probeert een meneer met alle geweld Máxima en haar vader de schuld van alles te geven.

Overstappen. In de stoptrein naar Zwolle is het tweedeklas coupeetje volgekliederd en zijn de banken kapotgesneden. Hier wil niemand zitten behalve een kolossale neger. Eindelijk durf ik mijn tas van mijn nek te doen, maar ik zet hem wel naast me neer. Ik bekijk tersluiks de zwarte man tegenover me. Geen bagage, alleen een klein plastic tasje houdt hij op zijn schoot en in zijn andere hand een verfrommeld stuk papier waar met een ballpoint wat op staat geschreven. Treurnis. Zijn regenjas is veel te krap. Hoe heeft hij zijn grote handen door die mouwen gekregen. Ook zijn broek is te nauw en die schoenen zijn al heel vaak door een ander gedragen. Hij kijkt onafgebroken op het papiertje alsof hij daar een antwoord over zijn situatie kan aflezen. Conducteur. Bij mij alles oké. Tijdens het weggaan wijst hij stiekem op mijn buurman: `In Zwolle wacht de vreemdelingenpolitie op deze meneer.'

`Where are you comming from sir?' vraag ik bedeesd om hem niet aan het schrikken te maken. Hij schudt zijn hoofd en wijst op zijn keel; hij kan niet spreken. Ik begrijp het, zeker een fikse angina opgelopen in dat stomme regenjasje. 'Dakar', probeer ik, `Senegal? Ik ben in Senegal geweest. Palmbomen. Aardige mensen. Afrika is groot en lekker warm.' Hij zwijgt. Zijn droevige ogen spreken duidelijke taal: lul niet, hou je kop liever want ik kan je toch niet verstaan en heb heel wat anders aan mijn hoofd.

Ik krijg trek. Ik heb twee krentenbollen in mijn tas en twee broodjes ham-kaas. Zal ik hem een krentenbol met echte Hollandse boter aanbieden? Gastvrijheid betekent in verre streken toch nog iets? Nee, een krentenbol, daar houdt zo'n man niet van. Ik kan hem een maanzaadbolletje geven, daar zit echter ham op. Stel dat hij een moslim is, dan zit ik mooi fout. Ik zou de ham eraf kunnen halen. Maar dat mag van die moslims vast ook niet `want ze mogen niet eens begraven worden in de buurt van een kruis waaraan Onze-Lieve-Heer voor onze zonden is gestorven'. Wacht, ik heb ook nog een banaan bij me. Ik kan die man toch geen banaan aanbieden, we zitten hier niet in Artis. Ik begin te eten. Dat smaakt. Volgens mij komt het water hem ook in de mond. Ik waag het er op. Zou u misschien... Graag, knikt mijn buurman, wat vriendelijk. In het klerenuitleencentrum van het asiel zat de hond in de pot. Lekker, ham en kaas. Is me dat smullen. Een krentebol. Hap, hap, ik sterf net als jij van de honger baasje...

We delen de banaan. 't Is net een schoolreisje. Zeg dat wel: reisje. Ik moet overstappen. Vlug, vlug, anders mis ik mijn aansluiting.

Vaarwel, tot ziens. Buiten bots ik tegen twee mannen van de vreemdelingenpolitie op. Rennen moet ik, maar ik word nagezeten door mijn reisgenoot die met mijn tas boven zijn hoofd zwaait die ik heb vergeten. Als hij hem in mijn handen drukt wordt hij van achter vastgegrepen. `Kunt u nagaan meneer, wil die er ook nog met uw tas vandoor.'