VLIEGEN DOOR VERZWAVELDE ROOK

Het maatschappelijk belang van de universiteiten ligt niet in beleidsgericht onderzoek, maar in het oplossen van fundamentele maatschappelijke vraagstukken. Zegt Maarten Hajer.

De universiteit staat midden in de samenleving. Televisieprofessoren geven iedere dag in bondige soundbites hun commentaar op complexe maatschappelijke problemen. En vergeleken met andere landen zijn de universiteiten hier ook dienstbaar aan de overheid. Sinds de afslankingsoperaties van de overheid in de jaren tachtig en negentig zijn universiteiten relatief goedkope en veel gevraagde adviseurs.

Toch is er sprake van spanning. Maar al te vaak vindt de politiek het advies van de wetenschap te vaag, te abstract of niet gebaseerd op de kennis van de reëel bestaande politieke situatie. En de wetenschap wantrouwt op haar beurt de politiek. Die is te veel gegrepen door de waan van de dag, laat de context buiten beschouwing en gaat voorbij aan de specifieke aard van wetenschappelijke kennis.

Een mooi voorbeeld van de spanning tussen wetenschap en politiek was de kwestie rond de `zure regen' in de jaren tachtig. Toen de Duitsers schrokken van hun `Waldsterben' wilde de Nederlandse politiek direct weten of bij ons de bossen ook stierven. Maar de wetenschap kon daar eenvoudigweg het antwoord niet op geven. `Zure regen' was helemaal geen wetenschappelijke categorie en de kennis was versnipperd. Het RIVM lobbyde met succes voor een grootschalig onderzoek naar de verzuring. Het onvermijdelijke `kennis voor beleid' programma werd opgestart en iedereen kon suggesties aanleveren voor projecten. Vliegtuigjes stegen op om mee te reizen met de verzwavelde rook van kolengestookte centrales; ingenieurs van het waterloopkundig laboratorium zetten met enthousiasme hun mathematische modellen in om in plaats van waterstromen nu zure emissies in kaart te brengen; en nooit wisten we meer over het effect van magnesiumuitspoeling op wortels van naaldbomen. Maar de eerste bruikbare uitkomsten kwamen, omgeven door de nodige voorbehouden, pas na vier jaar studie. En toen was de politiek al niet meer zo geboeid door de zure regen.

De Amerikaanse politicoloog Aron Wildavsky benoemde de verhouding tussen wetenschapper en overheid eens als `speaking truth to power'. Dat model is, in al haar eenvoud, nog steeds zeer invloedrijk. Bijvoorbeeld als wordt gesproken over de universiteit als kennisproducent die haar bevindingen doorgeeft aan de overheid als `kennisconsument'.

Maar de gedachte dat de wetenschap de machthebbers de waarheid kan vertellen is allerminst onproblematisch. Over tal van maatschappelijke vragen kan de wetenschap helemaal geen `ware' uitspraken doen. Een mooi voorbeeld is de ontwikkeling van de verzorgingsstaat. Niemand wist precies wat de effecten van de ontwikkeling van het verbod op kinderarbeid, de oudedagsvoorziening of het instellen van een minimumloon zouden zijn. Dat de verzorgingsstaat toch tot een succes werd had te maken met het ontstaan van een gemeenschap van wetenschappers en beleidsmakers die de ontwikkelingen nauwgezet volgde en steeds met aanpassingen kwam. Met `waarheid' had dat weinig te maken.

Bijstellen

De omschrijving van `speaking truth to power' moet ook op een andere manier worden bijgesteld. Want de macht van de (nationale) overheid wordt inmiddels in brede kring gerelativeerd. De nationale overheid is niet langer automatisch de bestemming van maatschappelijk betrokken wetenschappelijk werk. Er zijn te veel gevallen waar de overheid zelf onderdeel van het probleem is.

Een voorbeeld. De Europese overheden blijken niet in staat om het toezicht op de transnationale voedselindustrie op adequate wijze te regelen. Voedsel zal de komende jaren dan ook uitgroeien tot een heikel politiek thema. Nationale (agro-)industriepolitieke belangen verzetten zich tegen regulering. De bedrijven zoeken hierin dus naar een eigen relatie met de publieke opinie. Op een besloten bijeenkomst over `Biotechnology and Global Governance' op Harvard University kwam dit onlangs duidelijk naar voren. Aanwezig waren vertegenwoordigers van grote bedrijven als Monsanto en Unilever, van toezichthouders als de Food and Drug Administration en de Britse Food Standards Agency, van consumentenorganisaties, tal van academici en een aantal activisten uit India en Europa. Terwijl sommige overheidsorganisaties nog druk bezig zijn met het beschermen van `hun' industrie, richten de bedrijven en de wetenschap zich samen al op het ontwikkelen van een nieuwe omgang met onzekerheid en een onvoorspelbare maar diepgevoelde wensen bij het publiek.

De beste manier voor universiteiten om hun maatschappelijke betekenis inhoud te geven is dan ook niet via een beleidsgerichte maar via een probleemgerichte benadering. Daarbij is niet de overheid de primaire bestemming van kennis maar de samenleving.

In plaats van de uit de Verlichting stammende strenge scheiding tussen politiek en wetenschap kan wetenschap hierbij beter als vorm van actieve intelligentie worden opgevat. Er zijn tal van maatschappelijke problemen te benoemen waar we die andere vorm van intelligentie nodig hebben en waar wetenschap als een specifieke manier van het genereren van kennis goed kan worden gebruikt. Niet waarheid staat dan voorop maar doordachte handelingsperspectieven.

Dit is, nuchter beschouwd, allerminst een nieuw inzicht. Amerikaanse wetenschappers als John Dewey en Harold Lasswell hebben los van elkaar een dergelijke benadering in de vorige eeuw uitgewerkt. In een moderne maatschappij moet de staat altijd als beweeglijk worden voorgesteld en behoeft deze ook voortdurend aanpassing en verandering. Juist de reflectie op grote maatschappelijke vraagstukken kan dit duidelijk maken. De maatschappelijke betrokkenheid van de universiteit mag daarom ook nooit gedomineerd worden door de onmiddellijke vragen uit de wereld van het beleid. Tegelijkertijd zou de universiteit juist vanuit die autonome reflectie op zelfgeformuleerde vragen wel nadrukkelijk bereid moeten zijn om de consequenties voor beleid te doordenken. Zo is de verzorgingsstaat ontstaan, zo zou ook het vraagstuk van de biotechnologie tegemoet kunnen worden getreden.

Vaktijdschriften

Deze aanpak wordt niet automatisch een succes. Universiteiten zijn in de moderne tijd sterk op disciplinaire, vakgerichte basis georganiseerd. Dit heeft een aantoonbaar conserverende werking. Allerlei instituties zijn volgens die lijnen opgezet van tijdschriften tot conferenties. Wanneer de universiteiten hun maatschappelijke rol meer moeten waarmaken behoeft die structuur aanpassing. Op dit moment worden individuele wetenschappers afgerekend op publicaties waarbij de vaktijdschriften de meeste punten opleveren. Onderzoekscholen, uitzonderingen daargelaten, zien steeds meer de zuivere, vakgerichte wetenschap als hun missie. Beroepsverenigingen zien hun onderzoekstraditie als heilig en vele getalenteerde wetenschappers hebben helemaal geen zin om in dergelijke organisaties carrière te maken. De institutionele dominantie van de disciplinaire oriëntatie zal dus moeten worden gecorrigeerd.

Op interpersoonlijk niveau organiseren wetenschappers zichzelf in interpersoonlijke netwerken. Die strekken zich moeiteloos uit over de gehele wereld. Binnen de universiteiten zelf bestaat echter verrassend weinig onderling contact. Naast alle disciplinaire instituutjes zou juist het publiek domein binnen de universiteit meer aandacht moeten krijgen. Toen wij bijvoorbeeld binnen de Universiteit van Amsterdam een aantal genetici, wetenschapssociologen en politicologen bij elkaar brachten voor een debat over biotechnologie bleek er direct een interessante kruisbestuiving te ontstaan die door alle aanwezigen als zeer waardevol werd ervaren. Wil de universiteit de reflectie op de maatschappelijke ontwikkelingen ook zelf vorm geven dan moet zij bereid zijn probleemgerichte instituten te financieren waar die dwarsverbanden worden geïnstitutionaliseerd.

Natuurlijk betekent dit niet dat de universiteit de banden met de overheid zou moeten doorsnijden. Integendeel. Er zijn zelfs tal van onderzoeken te noemen waarbij wetenschappers wel degelijk enige mate van vrijheid hebben gekregen om hun eigen onderzoeksvragen te definiëren. Maar als institutioneel principe zou kunnen worden geïntroduceerd een onderzoekstoeslag die legitiem op de offerte kan worden opgevoerd. Deze onderzoekstoeslag van bijv. 15% zou aan fundamenteel onderzoek ten goede moeten komen.

Maarten Hajer is hoogleraar Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Dit is een bewerking van een inleiding die Maarten Hajer zal houden op het derde VSNU/De Balie-debat `Wat is Wijsheid', over maatschappelijk relevant onderzoek, dinsdag 19 februari 2002, 20.00 uur. Plaats: De Balie. Kleine Gartmanplantsoen 10 1017 NR Amsterdam reserveren: 020-5535100 www.balie.nl Andere deelnemers: Rein Bemer (EZ), Kees van Lede (AKZO NOBEL) en Hans Clevers (Universiteit Utrecht)