Van oost naar west

Kwamen de buren van de Romeinen, de Etrusken (Tyrsênoi), uit het Midden-Oosten of zijn ze geleidelijk in Italië ontstaan? De Leidse emeritus hoogleraar R. Beekes blaast de oude theorie van Herodotus nieuw leven in.

Weerzinwekkend wreed. Een passie om in de lever van een pas geslacht schaap de wil van de goden te lezen. Zeer godsdienstig en schaamteloos in sexualibus: vrouwen die dansend op de muren van de graftombes hun vormen wellustig tonen. En daar bovenop nog die vreemde taal. De Etrusken zij leefden van zeker de achtste eeuw tot de eerste eeuw v.Chr. in Italië zijn door de buren nooit helemaal begrepen. De afbeelding van de decadente obesus Etruscus ging erin als koek. Zo'n buitenissig volk kon toch bijna niet van Italische bodem stammen.

De discussie over de herkomst van de Etrusken begon al tijdens hun nabloei. De Griekse historicus Herodotus, levend in de vijfde eeuw v.Chr., schreef in zijn Historiën (Boek 1, 94) dat zij uit Lydië in Klein-Azië (Turkije) emigreerden. Gedwongen door een hongersnood trok de helft van de bevolking onder leiding van de koningszoon Tyrsênos naar Smyrna, bouwde daar schepen en stak van wal op zoek naar een nieuw vaderland. Na lange omzwervingen kwamen zij aan in Midden-Italië, in het gebied van de Umbriërs. Daar, in Etrurië, het gebied tussen de rivieren Arno en Tiber, vestigden zij zich. Zij werden naar hun leider Tyrsênoi (of Tyrrênoi) genoemd, de zee ten westen van hun woongebied zou later hun naam dragen. De Romeinen duidden hen aan, de naam heeft dezelfde wortel, als Tusci of Etrusci.

Ruim vier eeuwen na Herodotus, toen de Etrusken inmiddels met geweld in het Romeinse rijk waren opgenomen en hun taal al bijna niet meer werd gesproken, bracht de Griekse geschiedschrijver en retor Dionysius van Halicarnassus een tegengestelde visie naar voren. In zijn Oudste geschiedenis van Rome noteerde Dionysius als conclusie dat de Etrusken geen zwervend zeevolk konden zijn, evenmin uit Lydië kwamen, maar als een inheems Italisch volk moesten worden beschouwd. De Tyrrhenen zijn autochtoon, ``aangezien het een oeroud volk is, dat in taal noch in mentaliteit met enig ander volk overeenkomt.''

De kwestie bleef een kleine twee millennia onbeslist. Toen voegde zich er een derde theorie bij. De Etrusken zouden uit het noorden, via de Alpen naar Italië zijn gekomen, een opvatting die leunde op de mededeling van de Romeinse geschiedschrijver Livius (V, 33), dat `de Alpenvolkeren, in het bijzonder de Raetiërs, ongetwijfeld dezelfde afkomst als de Etrusken' hebben. Met die etnische impuls uit het noorden zou de bronstijd in Italië zijn begonnen. De hypothese verloor invloed toen bleek dat het ontstaan van de bronscultuur op het Italiaanse schiereiland de historische continuïteit niet zichtbaar had aangetast en dat de wel zichtbare veranderingen vooral het gevolg waren van de contacten met de Myceense beschaving. Waarna de theorie van de noordelijke herkomst een zachte dood stierf.

Zo stonden de twee scholen opnieuw lijnrecht tegenover elkaar. De oriëntalisten, de aanhangers van Herodotus, die de Etrusken zagen als Klein-Aziatische immigranten uit Lydië. En de autochtonisten, die in het Etruskische volk een oud etnisch substraat zagen, dat zich ondanks het binnendringen van Indo-Europese volkeren in Italië had gehandhaafd. Terwijl de etruskologische kennis zich uitbreidde en bijna elke Midden-Italiaanse stad met Etruskische wortels zich een Etruskenmuseum verwierf, bleef de herkomstkwestie de partijen verdelen. Halverwege de vorige eeuw vond Massimo Pallottino het welletjes. In een poging de oude splijtzwam te elimineren zette de grote roerganger van de etruskologie een nieuwe lijn uit. De twee theorieën, zo schreef hij, behoeven elkaar niet tegen te spreken als de Etruskische beschaving maar wordt gezien als een vormingsproces. Die beschaving is het resultaat van een langdurige ontwikkeling die zich afspeelde op Italische bodem, in het kernland Etrurië. Laten we dus, schreef Pallottino, het oog vooral richten op de dan ontstane, homogene Etruskische cultuur, die zich later uit Etrurië naar het zuiden, tot het gebied rond Napels, en naar het noorden van het schiereiland zou uitbreiden.

Die gezaghebbende woorden haalde de vijandigheid uit de discussie. Toch drong zich na enige tijd de mening op dat Pallottino met zijn verzoeningspoging het probleem als zodanig onaangeroerd had gelaten. De vraag waar die táál en de mensen die die taal spraken dan wel vandaan kwamen, bleef staan. En zo ging de strijd weer voort. Bijvoorbeeld over de vraag of de in Egyptische hiërogliefen genoemde letters Trsh, daterend uit circa 1200 v.Chr., moeten worden gelezen als Tyrs-ênoi. Kwamen de Tyrsênoi (Etrusken) dan via Egypte? Of over de interpretatie van de tekst van een op Lemnos gevonden grafzuil (zie kader).

serendipiteit

En nu, bij ontwaken van de eenentwintigste eeuw, dient zich een nieuwe, oriëntalistische theorie aan. Een theorie die in Italië, met zijn grote dichtheid aan vooral autochtonistische etruskologen, ongetwijfeld aanleiding zal zijn de messen te slijpen. Bedenker is de Leidse emeritus hoogleraar vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap R.S.P. Beekes. Hij schreef onder andere een handboek over de historische grammatica van het Avestisch, de taal van Zarathustra, en een handboek over zijn gehele vakgebied, dat in het Engels is vertaald en waarvan een Griekse vertaling in de maak is. Beekes concludeert dat de Etrusken in 1200 v.Chr. uit Lydië in Klein-Azië naar Italië zijn gekomen, opgejaagd in de chaos van opdringende volkeren. Het grappige is dat hij niet eens naar de Etrusken op zoek was. Een frappant geval van serendipiteit. Afgelopen maandag maakte hij zijn zienswijze openbaar aan de leden van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Beekes rondde vorig jaar een onderzoek af naar de precieze woonplaats van de Lydiërs in Klein-Azië. De Lydiërs heten bij Homerus Mêiones. Uit Beekes' onderzoek bleek dat die naam etymologisch is afgeleid van Mâsas. De Lydiërs woonden dus in Mâsas, maar waar làg dat? De Duitse hittitoloog F. Starke had enkele jaren eerder Mâsas in het noorden van Klein-Azië gesitueerd. Beekes verbond dat met wat Herodotus en de Griekse geograaf Strabo hadden gemeld. Zij schreven dat in het noorden, in de buurt van de berg Olympus, `Lydische kolonisten' waren gevestigd. Beekes zag dat het niet om kolonisatie ging, zo vertelt hij in zijn Leidse woning. ``De Lydiërs die volgens Herodotus en Strabo in het noorden van Klein-Azië woonden, vormden de rest van de oorspronkelijke bevolking. Als je de zaak omdraait, past het uitstekend in het algehele beeld van de historische ontwikkelingen.''

Ontwikkelingen, die in gang werden gezet door de Phrygiërs, die omstreeks 1200 v.Chr. uit Europa het noorden van Klein-Azië binnendrongen en de daar wonende Lydiërs naar het zuiden wegdrukten. De Phrygiërs vestigden zich in het Lydische woongebied ten zuiden van Hellespont en Propontis (Zee van Marmora), en verder naar het zuidoosten. ``Als je ervan uitgaat dat de Lydiërs, totdat zij werden verdreven, in het noordwesten van Klein-Azië woonden, zaten zij geografisch aan de rand van de Anatolische wereld. Dat verklaart meteen waarom het Lydisch onder de Anatolische talen een geïsoleerde plaats inneemt.''

het pàst!

Toen Beekes de vorige zomer, niet ontevreden over zijn vondst, in zijn Drentse buitenhuisje achterover leunde, viel hem de vraag in of zijn theorie consequenties kon hebben voor de Etruskische kwestie. Het kwam als een flits: Verdraaid, het pàst! ``Herodotus zegt dat de Etrusken uit Lydië kwamen, maar daar konden we weinig mee. Er was verder niets dat op een relatie tussen Lydiërs en Tyrsênoi wees, integendeel, er was alleen een Tyrrheense aanwezigheid in het uiterste noorden bekend. Nu bewezen is dat het noorden destijds Lydisch was, schuiven die twee zaken keurig in elkaar.''

Volgens Beekes moeten de Phrygiërs de Tyrsênoi tegelijk met de Lydiërs hebben weggedrukt. De Phrygiërs raakten in 1200 op drift, maar zij waren niet de enigen. Het gehele oosten van het Middellandse-Zeegebied was in beroering. Het was een tijd van droogte en hongersnood. Het Hittitische rijk en de Myceense wereld stortten in, volkeren raakten op drift, gingen de zee op. ``De migratie van de Etrusken naar Italië past zeer goed in die tijd.''

De Tyrsênoi hadden het al moeilijk onder de Lydiërs, zegt Beekes. Ze moeten een gedoogde minderheid zijn geweest, met een andere taal. Ze zaten op de rand van het Lydisch gebied, aan de kust, op de eilanden. ``Toen in 1200 de druk te groot werd namen ze de boot.'' In groepen, in golven waarschijnlijk, sommigen bleven achter op de kust en de eilanden. ``Uit overvloedige vondsten van Myceens aardewerk uit de dertiende eeuw v.Chr. weten we dat de Myceners op Italië voeren, de zeeweg was bekend. Mogelijk waren er al contacten en zochten de Tyrsênoi in Italië de metalen waaraan ze hun latere bloei zouden danken.'' Als bezwaar tegen de oriëntalistische visie is vaak naar voren gebracht dat in de keten van beschavingen in Midden-Italië geen voorwerpen zijn te vinden die duiden op de immigratie van een vreemd volk. Archeologisch bewijs ontbreekt. ``Maar wat doen mensen op de vlucht, die nemen geen voorwerpen mee van hun materiële cultuur, hoogstens een zak met water.'' Langzamerhand, aldus Beekes, wordt trouwens duidelijk dat zo'n breuk aan het begin van de zogenoemde proto-Villanovacultuur, ongeveer 1200 v.Chr., wel degelijk aanwijsbaar is.

Herodotus' verhaal over de Lydische herkomst van de Etrusken is dus juist, zegt Beekes. ``Lydië lag alleen noordelijker dan in Herodotus' tijd. In zijn tijd, meer dan zeven eeuwen later, lag het in het midden van Klein-Azië, omringd door land, zonder haven. Hij vroeg zich dus af wáár de Etrusken wegvoeren en koos deducerenderwijs voor Smyrna. Die havenplaats bestond in 1200 v.Chr. nog niet, maar dat kon hij niet weten. De Lydiërs die hij ondervroeg wisten waarschijnlijk ook niet dat zij zuidelijker woonden dan hun verre voorvaderen. Alleen wat Smyrna betreft zat Herodotus ernaast. Hij koos verkeerd, maar het was een logische keus.''

overweldigend

Dat de aangetoonde Lydisch-Etruskische band hem nu tot een oriëntalist heeft gemaakt, zou Beekes niet willen beweren. Hij wàs het al. ``De bewijzen voor een oostelijke herkomst zijn overweldigend. Het was reeds lang bekend dat Tyrsênoi aan de noordkust woonden. Herodotus schrijft in Historiën 1, 57 dat in Plakiê en Skylakê, twee plaatsjes aan de Propontis ten oosten van Kyzikos, dezelfde taal werd gesproken als in Kreston. Dionysius citeert deze passage, maar geeft Kroton in plaats van Kreston. Er bestaat geen stad Kreston, het moet Kroton zijn en daarmee wordt de Etruskische stad Cortona in Etrurië bedoeld. Herodotus schrijft dat de stad hyper Tyrsènoon ligt. Klopt precies voor Cortona: ten noorden van de Etrusken, oftewel aan de noordgrens van Etrurië. De onvermijdelijke conclusie is dan ook dat in Plakiê en Skylakê Etruskisch werd gesproken en dat daar dus Etrusken zaten.''

Meer argumenten? ``Tarchon, de belangrijkste heros van de Etrusken in Italië. Hij is in Etrurië de stedenstichter bij uitstek, de specialist van de godsdienst, hij heeft macht over de bliksem. De Griekse geleerde dichter Lykophron, derde eeuw v.Chr., noemt hem als de leider van de Etrusken naar Italië, naast Tyrsenos. Het is onontkoombaar in Tarchon de belangrijkste Anatolische god, de Stormgod, god van de bliksem Tarhun te zien. Dat op zichzelf is al afdoende bewijs voor de Anatolische herkomst van de Etrusken.'' Overtuigend is ook Nanas, de leider van de Pelasgen, waaruit de Etrusken ontstonden. Hellanikos, jongere tijdgenoot van Herodotus, noemt hem, zoals in Dionysius van Halicarnassus is te lezen. ``De naam Nanas komt in Griekenland niet voor, het is een Anatolische naam die men terugvindt in het Lydisch, Hittitisch en Luwisch.''

Als dat niet voldoende mocht zijn, zegt Beekes, is er het gehele complex rond de Romeinse triumphus. H.S. Versnel, emeritus hoogleraar Oude Geschiedenis, heeft in zijn dissertatie in 1970 al overtuigend aangetoond dat de triumphus berust op godsdienstige voorstellingen, die door de Etrusken uit Klein-Azië naar Italië zijn meegebracht. Die triomftocht was niet zomaar wat: de overwinnende Romeinse generaal werd daarbij met de oppergod Jupiter geïdentificeerd. En, ander voorbeeld: de Etruskische koning, in het bijzonder de hoogste koning van de federatie van de twaalf Etruskische steden, voerde als gezagssymbool de bipennis, de dubbele bijl. ``Versnel wees er al op in zijn proefschrift: de Lydische koningen droegen de dubbele bijl als symbool van hun gezag.''

Dat de Tyrsênoi over zee kwamen blijkt ten overvloede uit de plaats waar ze in Italië woonden, zegt Beekes. Toscane. ``Een van de vruchtbaarste streken van Italië, die binnenvallende Indo-Europeanen zeker zouden hebben veroverd. Veel logischer is het dat de Etrusken, op zoek naar nieuwe woonplaatsen, zich juist daar vestigden en mettertijd de Umbriërs terugdrongen. Plinius schrijft dat de Etrusken 300 Umbrische steden innamen. Moet ik verdergaan? Voor het bewijs van een oosterse oorsprong heb ik 24 argumenten.''

Onder de titel `The Origin of the Etruscans' verschijnt over de theorie van prof. R. Beekes binnenkort bij de KNAW een boekje .