Superboeren zonder rommel

Om tot een `hoogwaardige agrarische gemeenschap' te komen, hanteerde de overheid strenge selectiecriteria voor nieuwkomers in Flevoland. Niet elke boer was welkom.

In 1942 viel de Noordoostpolder droog. De eerste agrarische bedrijven werden vijf jaar later in pacht uitgegeven aan boeren die al geruime tijd in de polder werkten. Vanaf 1950 kon iedere belangstellende zich inschrijven op een bedrijf, maar dat ging gepaard met een uitgebreide selectieprocedure. Selectie was onontkoombaar, want het aantal agrariërs dat zich in de polder wilde vestigen was vele malen groter dan het aantal beschikbare bedrijven: voor iedere boerderij waren er ongeveer twintig aanvragen.

Selectie was ook gewenst, want de overheid had ambitieuze plannen met de polder. Met name de Noordoostpolder moest een modellandbouwgebied worden, waar in principe alleen plaats zou zijn voor de crème de la crème onder de Nederlandse agrariërs. Deze `superboeren' moesten aan een aantal minimumeisen voldoen: ze moesten tussen de 26 en 50 jaar oud zijn, een diploma bezitten van minimaal de tweejarige landbouw-wintercursus, over voldoende financiële middelen beschikken en `vakbekwaam' zijn.

In de praktijk bleek al snel dat het ideaal van een hoogwaardige agrarische gemeenschap een utopie was. Het `nieuwe land' moest namelijk ook problemen van het oude land oplossen. Zo kregen boeren die oorlogsschade hadden geleden, slachtoffers van de watersnoodramp van 1953, en boeren die benadeeld waren door openbare werken voorrang. Uit cijfers van het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland blijkt dat de groep modelboeren, ook wel pioniers genoemd, uiteindelijk minder dan eenvijfde deel van de pachtersbevolking van de Noordoostpolder uitmaakte. ,,De meesten kwamen er niet tussen'', zegt Bert Keller (62), die eind jaren zestig naar een bedrijf in Oostelijk Flevoland solliciteerde.

In Oostelijk Flevoland was de groep modelboeren uiteindelijk nog kleiner dan in de Noordoostpolder. Bij de verdeling van bedrijven in Oostelijk Flevoland, sinds 1962, werd het streven naar een perfecte agrarische gemeenschap grotendeels verlaten. De overheid maakte daar liever plaats voor boeren met een voorrangspositie.

De `Directie voor de Wieringermeer/ Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders' besloot welke agrariër een bedrijf kreeg. Belangstellende boeren konden op een bedrijf solliciteren door een briefkaart in te zenden, wat een uitnodiging opleverde voor een voorlichtingsbijeenkomst.

Op deze bijeenkomst werd uit de doeken gedaan wat de agrariërs van het polderleven konden verwachten en wat er van hen verwacht werd. Wie na de bijeenkomst nog steeds naar de polder wilde vertrekken en wie aan de minimumeisen voldeed, mocht een vragenformulier invullen. Dit formulier werd voorzien van een levensbeschrijving en referenties. ,,Je kon refereren aan vooraanstaande personen uit het oude land. Bijvoorbeeld de burgemeester van je woonplaats, of de directeur van de Boerenleenbank'', vertelt pionier Marinus van der Weele (79), die sinds 1953 een bedrijf in Nagele pacht. ,,Zo kon de Directie een beeld van je vormen. Ze waren tenslotte eigenaar van de polder, ze wilden weten wat ze in huis haalden.''

Hoewel de nadruk van de procedure lag op de landbouwkundige kennis en de financiële situatie van de sollicitant, werd ook gekeken naar zijn thuissituatie. Het idee leefde dat een gezin beter bestand zou zijn tegen de problemen die gepaard gingen met het polderleven. Vrijgezelle boeren waren eigenlijk niet gewenst in de perfecte agrarische gemeenschap.

Op basis van de sollicitatieformulieren werd een selectie gemaakt. Hierbij viel ongeveer 80 à 90 procent van de kandidaten af, het merendeel omdat er onvoldoende vakbekwaamheid aanwezig zou zijn.

Afvallers kregen de gelegenheid om meerdere keren te solliciteren. Bert Keller werd in eerste instantie afgewezen. ,,Toen kreeg ik bericht dat ze langs zouden komen. Maatschappelijk werk kwam in opdracht van de Directie langs bij de sollicitanten die de eerste selectie hadden doorstaan.'' Deze bezoeken waren meestal onaangekondigd. Tijdens het bezoek stelden de maatschappelijk werkers vragen en inspecteerden ze het boerenbedrijf van de aanvrager. ,,Ze vroegen bijvoorbeeld naar mijn bedrijfsvoering en het bouwplan. Ze wilden van alles weten'', aldus Keller. Ook naar de capaciteiten van de echtgenote en haar houding tegenover het mogelijke vertrek werd gekeken.

De capaciteiten van de echtgenote werden op verschillende manieren gemeten. In de eerste plaats werd gekeken naar de activiteiten die zij buiten het gezin ontplooide. De pioniers moesten immers een substantiële bijdrage leveren aan de sociale opbouw van de polder. Terwijl de man het bedrijf draaiende hield, kon de vrouw zich in het verenigingsleven storten, zo was de gedachte. Daarnaast werd gekeken naar het huishouden, de kinderverzorging en de zorg voor hygiëne.

De huishouding moest `net' zijn. ,,Ik heb wel verhalen gehoord van mensen bij wie ze de kasten zelfs inspecteerden'', vertelt Miep Keller (60), dochter van een pionier. Leesbladen en speelgoed mochten wel aanwezig zijn, rommel was niet wenselijk. De boerin moest goed met geld kunnen omgaan en `open staan voor nieuwe huishoudelijke aanschaffen'. Ten slotte was het belangrijk dat de vrouw des huizes enigszins geschoold was.

Nadat de maatschappelijk werker het solliciterende gezin had doorgelicht, werd een rapport opgemaakt. Hieruit trok de Directie een conclusie over de geschiktheid van de gegadigde. Weer vielen veel mensen af, zo ook Bert Keller. ,,Ik kreeg een brief dat ik geen bedrijf toegewezen kreeg. Een duidelijke reden gaven ze niet. Later hoorde ik dat het iets met mijn leeftijd te maken had, ik was wat aan de jonge kant.''

Als een kandidaat wel geschikt werd bevonden, had hij nog geen zekerheid. Meer dan 35 procent van de geschikt bevonden sollicitanten kreeg uiteindelijk toch geen bedrijf toegewezen, omdat er simpelweg niet genoeg bedrijven waren. Voor veel sollicitanten was dit een bittere pil. ,,Zij zagen hun droom in duigen vallen, en hadden er zelf geen invloed op.

De procedure was niet voor iedereen even aangenaam. Als de gesprekken niet naar wens verliepen, kon je het wel vergeten. Dat wekt wrevel op'', stelt pionier Van Weele.

Toch was er destijds weinig weerstand tegen de opmerkelijke selectieprocedure. Van Weele: ,,Je moet het zien in de geest van die tijd. Het land moest gekoloniseerd worden en er was nou eenmaal geen ruimte voor iedereen. Er zal altijd ontevredenheid blijven hangen over de gang van zaken toen, maar ze konden het nou eenmaal niet iedereen naar de zin maken.''