Schaatsen voor de derde wereld

Kinderen die het niet hebben getroffen, houden hem al sinds zijn jeugd bezig. Johann Olav Koss (33), viervoudig olympisch schaatskampioen, is de drijvende kracht achter de hulporganisatie Olympic Aid. Het heeft zijn leven veranderd.

Met een glimlach op zijn gezicht gaat hij ons voor naar het restaurant van Hotel Little America in Salt Lake City. Hier loopt onmiskenbaar een man die gezien mag worden. Wanneer hij een bekende ontmoet, verandert zijn glimlach in een minzame lach. In het Noors begroet hij een jonge, blonde vrouw. Hij stelt ons aan haar voor en verontschuldigt zich vervolgens omstandig tegenover de vrouw en haar metgezellen. Want Johann Olav Koss moet verder met zijn werk.

Foto's mogen niet gemaakt worden, zegt hij, terwijl wij ons van het opmerkelijke gezelschap verwijderen. Kroonprinses Mette-Marit van Noorwegen lacht haar landgenoot beminnelijk toe. Ze begrijpt dat Koss dezer dagen een druk bezet man is. De vorige avond hebben de viervoudig olympisch kampioen en drievoudig wereldkampioen schaatsen en de echtgenote van kroonprins Haakon elkaar nog ontmoet tijdens een Noorse avond ten bate van Olympic Aid, een organisatie die onder meer hulp biedt aan kinderen in de Derde Wereld, in oorlogsgebieden en in vluchtelingenkampen. Vol trots vertelt Koss even later aan een belendende tafel dat hij van de Noorse regering een gift van 250.000 dollar heeft gekregen en tijdens een collecte nog eens 100.000 dollar, ten behoeve van Afghaanse vluchtelingen.

Vorige week kreeg Koss tijdens een forum in Salt Lake City uit handen van Margo Vliegenthart, de Nederlandse staatssecretaris van Sport, namens de Nederlandse regering een cheque van vijf miljoen euro overhandigd. Zijn werk wordt alom gewaardeerd, zo blijkt uit zijn blijde boodschap.

Johann Olav Koss in 1994 reed hij op de Winterspelen in Lillehammer nog aan alle Nederlandse schaatshoop aan flarden met drie gouden medailles en drie wereldrecords verdient allerwegen eer voor het werk wat hij doet, maar de Noor blijft bescheiden. ,,Ik organiseer slechts. Ik praat met mensen, ik probeer ze warm te maken voor hulp aan deze kinderen. Maar de mensen in het veld die de sportprogramma's maken en de coaches die de kinderen leren sporten, doen het werk'', zegt hij tijdens zijn moeizaam te stuiten euforische woordenstroom.

Vragen naar de inhoud van zijn werk, hebben nauwelijks zin. Koss vertelt toch wel, vurig en begaan als hij is met het lot van de noodlijdende kinderen die hij heeft meegemaakt. ,,In 1993 was ik voor het eerst in Eritrea. Heel inspirerend. Je ziet in de loop der jaren de emoties veranderen, je ziet hoe hun gelatenheid verandert in optimisme, woede verandert in vreugde en hoop. Het is ongelooflijk wat sport met kinderen kan doen. Onze coaches en onderwijzers laten de kinderen iets doen wat ze leuk vinden. Geweldig. Sport haalt de spanning uit hun lichaam. Elke keer als ik er weer kom, word ik zachter en blijer; dat ik die kinderen kan helpen.''

Hij maakte prominenten en gezagsdragers warm voor Olympic Aid, dat in 1993 door het organisatiecomité van de Winterspelen in Lillehammer werd opgericht. ,,Ik ben gelukkig, dat ik Kofi Annan, Lubbers en Brundlandt zo gek hem kunnen krijgen hier zitting te nemen in een rondetafel-gesprek. Vliegenthart is geweldig, zoals ze dat heeft gecoördineerd in Nederland. Lubbers kende ik van Lillehammer in 1994, toen hij me feliciteerde met mijn medailles. Ik was hier verrast door zijn enthousiasme. `Ik wil dat sportprogramma in elk vluchtelingenkamp', riep hij''

Koss wordt almaar vuriger: ,,Weten jullie dat er 23 miljoen vluchtelingen zijn in de wereld? En elke dag komen er vijfdduizend bij.'' Hij praat over gebrek aan voeding in de kampen. ,,Maar als je kunt spelen, vergeet je iets van de honger en de erbarmelijke omstandigheden. Voedsel is het belangrijkst, maar sport en spelen kunnen meer doen dan je denkt.''

Door sport, vertelt Koss, daalt het schoolverzuim aanzienlijk. ,,We hebben in totaal zo'n duizend basisscholen in de verschillende ontwikkelingslanden gebouwd. We hebben aan zeshonderd onderwijzers cursussen gegeven om sportles te geven in voetbal, basketbal, volleybal en atletiek. In zes jaar tijd is het schoolbezoek met 30 procent vermeerderd. We sturen naar een project altijd een man en een vrouw. Door die vrouw krijgen de meisjes ook zin in sport. Door te sporten, dwingen ze respect af bij de mannen.''

Toen hij in 1994 arriveerde in Asmara, de hoofdstad van Eritrea, telde hij op de cursussen slechts één vrouw tussen honderdvijftig mannen. Zes jaar later kwam hij terug en toen bleek deze Sally een voetbalcompetitie voor vrouwen te hebben opgezet met 200 tot 300 teams. Er waren intussen vijftig vrouwelijke voetbalcoaches.

Zes maanden voor de Winterspelen van 1994 in Lillehammer werd schaatser Koss door het zojuist opgerichte Olympic Aid gevraagd als ambassadeur naar Eritrea te gaan. ,,Ik kwam in Asmara dat op 2.000 meter hoogte ligt. Tijdens mijn bezoek aan de kinderen in de kampen, besloot ik te trainen. Ik had mijn racefiets meegenomen om de bergen in te gaan om te fietsen. De locale wielerclub wilde met me meegaan, zo'n zestig jongens op een oude, krakkemikkige fiets gingen met me mee. Bijna aan de top was natuurlijk het grootste deel er al door mij afgereden. Ineens kwam een jongen naast me rijden op een fiets met heel dikke wielen. Hij keek me aan, grinnikte in de trant van: `hé, ik heb je'. Op de top moest ik afstappen, ik was kapot. Het plezier dat van zijn gezicht afstraalde, is me altijd bijgebleven.''

Het eerste bezoek aan Eritrea heeft Koss als mens en als sportman veranderd, beweert de Noor. ,,Mijn coach zei: `Je bent een ander mens geworden'. Ik was voor die tijd altijd gespannen, ik was maar bezig met resultaten, ik was alleen gefocust op schaatsen, geobsedeerd. Ik had in Eritrea mijn hoofd geopend. Ik ging waarderen wat ik had.''

Koss weet nog hoe depressief hij was aan de vooravond van de Winterspelen. De Nederlanders zouden in het Vikingschip alle schaatsmedailles pakken wat moest hij nu nog in het ijspaleis van Lillehammer? Een paar dagen voor de eerste afstand, de vijf kilometer, had hij een gesprek met zijn sportpsychologen Heidi en Bente-Marie Ihle. ,,Onbewust praatten we over andere dingen in het leven dan schaatsen. Een van hen vroeg welke andere dingen ik nog zou willen doen, dingen waarmee ik geen kampioen kon worden, iets zonder medailles en records. Dingen doen zonder er kampioen in te worden, ervoor geëerd en gehuldigd te worden. Dat het niet allemaal om mij hoefde te draaien. Dat gesprek heeft mij geopend. Ik was opgelucht, de spanning was weg.''

Koss won een paar dagen later de vijf kilometer, in een wereldrecord. Hij was bevrijd. ,,Ik was dolgelukkig en opgelucht, ik voelde me vrij. Zomaar, vrij van spanning. En ik dacht: heb ik gewonnen? Ik, die zo aan de grond zat? Vanaf dat moment ben ik steeds meer aan de kinderen in Eritrea gaan denken. Ik dacht: `de volgende afstand, de 1.500 meter, is voor de kinderen'. Tussen de twee afstanden door was ik alleen maar bezig met wat die kinderen daar doormaakten en wat ik hier doormaakte. En ik won ook de 1.500 meter, in een wereldrecord. Het prijzengeld besloot ik onmiddellijk aan Olympic Aid te schenken. Ik ging met de pet rond en iedereen, ook de journalisten, gaven geld. Vervolgens won ik ook nog eens de tien kilometer, en weer in een wereldrecord. Ik was in een roes. Ik was bevrijd. De spanning, de obsessie was weg. Er was meer in de wereld dan tijden, records, titels en medailles, besefte ik. Dankzij mijn bezoek aan de kinderen en dankzij de psychologen. Wat gaf mij zoveel spanning en wat verkrampte mij?''

Hij ging terug naar Eritrea. Met dertien ton aan sportattributen, betaald van het prijzengeld en de collecte in Lillehammer. Een drievoudig olympisch kampioen schaatsen in Afrika? Schaatsen! ,,Ze hebben er niet eens een woord voor. Who the hell is een olympisch kampioen schaatsen? Wie is Johann Koss? Maar ik werd als een held ontvangen. Duizenden mensen verwelkomden mij, zoveel mensen hebben mij zelfs in Noorwegen nog nooit toegejuicht. Er werden in Asmara films van mijn gouden races vertoond. Er kwam een wielrenner naar me toe en hij zei: `wat stelt het nou voor wat jij doet? Jij rijdt een wedstrijd tegen één man. Ik rij hier in de bergen tegen wel honderd mannen. Dat is veel moeilijker'.''

Koss is vertederd. Hij ziet nog hoe kinderen naar de aanplakbiljetten keken waarop soldaten als martelaren van de burgeroorlog werden afgebeeld. Soldaten als helden. Kinderen wilden soldaten worden, martelaren zijn, aanbeden worden. ,,Als kinderen helden willen en zich identificeren met helden, waarom dan soldaten en geen sporthelden? Ik ben niet tegen soldaten, zolang ze defensieve taken hebben. Maar als kinderen zich identificeren met sporthelden, lijkt me dat toch gezonder. Door sporthelden als ik en Marion Jones, Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband gaan kinderen sporten. Zo werkt dat. Daar zijn helden voor.''

Johann Olav Koss was de held van Lillehammer. Vrij kort na zijn gouden races, besloot de pas 25-jarige Noor niet meer te schaatsen. ,,Drie wereldrecords in één toernooi was mijn plafond. Ik was er intens gelukkkig mee. Als ik weer gelukkig zou willen worden, zou ik mezelf moeten verbeteren. Na alles wat ik doorstaan had, mijn depressies, mijn levenservaring, wist ik dat dat er niet meer in zat. Mijn vader complimenteerde me als jongen wanneer ik mezelf verbeterde. Een kampioenschap was niet belangrijk. Al was ik twintigste, dat was niet erg, als ik mezelf maar verbeterde. Hij zei: `maak meer van jezelf'.''

Koss laat zich nog vaak zien bij schaatswedstrijden. Het is slechts een oude liefde. Jaloers op de tijden van nu die zijn wereldrecords van destijds overschrijden, is hij niet. Betrokken bij de evolutie of mondialisering van de schaatsen is hij niet. Hij is te druk met `zijn' Olympic Aid. Daarvoor moet alles wijken. Nog één keer glanzen zijn ogen bij het woord `schaatsen'. In 1997 reed hij in het spoor van Geir Karlstadt de Elfstedentocht uit. ,,Het was verschrikkelijk. Ik had sinds 1994 niet meer geschaatst, ik had nauwelijks conditie, ik had nieuwe schaatsen gekocht, want mijn oude waren geveild. Honderd kilometer tegenwind. Het was koud, mijn spieren kraakten. Maar iedereen herkende me. Duizenden mensen bij het keerpunt in Dokkum juichten me toe. Na negen uur en zevenenveertig minuten kwamen we aan. Het was 4 januari 1997. Het was verschrikkelijk. Wat heb ik toen moeten lijden.''