Ruig overleven op het nieuwe land

Kenmerkend voor de natuur in Flevoland zijn de grote formaten. Dat maakt de provincie bij uitstek geschikt als struingebied.

Boswachter Anne Hofstra kent de verhalen over Flevoland. Dat de bomen op het nieuwe land er nog maar een meter hoog zijn en dat het er altijd waait, met andere woorden dat het voor inwoners van de drukke Randstad niet de moeite loont in het weekeinde de natuur van Flevoland op te zoeken, in plaats van steeds maar weer de bekende gebieden op Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug. Niets is minder waar, meent Hofstra. Hij is boswachter bij Staatsbosbeheer van het grootste aaneengesloten loofbos van Nederland, het Horsterwold bij Zeewolde, op Zuidelijk Flevoland. De populieren zijn dertig jaar na de eerste aanplant aan een tweede generatie bezig en ook eiken, essen en iepen maken bepaald geen kinderachtige indruk.

Het kan ruig toegaan in het Horsterwold, vertelt Anne Hofstra. Zelf leidt hij excursies voor mensen die uit de beschaafde maar gestresste wereld van alledag willen breken en voor twee dagen overleven met alleen een portie drinkwater. Ze steken in een boomkano de wateren van het Horsterwold over, om in het natuurontwikkelingsgebied De Stille Kern, het centrum van het Horsterwold, in de modder weg te zakken en onder hun voeten de oude boomstronken te voelen van het oerbos dat hier voor de Zuiderzeetijd heeft gestaan. De stronken zijn door het water goed geconserveerd. De deelnemers worden door de boswachter langs vleermuisbunkers en kikkerpoelen geleid. Hij vertelt hun over paddestoelen als aardster of bekerzwam, waaruit kabouters hun vlierbessenwijn drinken. De deelnemers koken hun maaltje op een kampvuur in de openlucht, hun behoefte doen ze in het vrije veld, tegen de zon beschermen ze zich met koeienvlaaien en slapen doen ze in het hooi van een pseudo-prehistorische hut. ,,Ik sleur ze de natuur door'', vertelt Anne Hofstra enthousiast.

Als er ergens in Nederland onbekommerd door de natuur gestruind kan worden, waar tegenwoordig veel behoefte aan is, dan is het in Flevoland. Het meest kenmerkende aan de natuur in de nieuwe provincie is de omvang: er zijn weinig plekken in Nederland waar de natuur zulke grote formaten kent. Het bekendste voorbeeld zijn de Oostvaardersplassen, het internationaal vermaarde moerasachtige gebied tussen Almere en Lelystad. Het is min of meer bij toeval ontstaan, toen aan een voorzien industrieterrein door de economische recessie geen behoefte meer bleek te zijn en ecologische idealisten hun kans schoon zagen op deze plaats eindelijk `nieuwe natuur' te ontwikkelen; een inmiddels zesduizend hectare groot gebied waarin nu achthonderd edelherten, zeshonderd konikpaarden en zeshonderd heckrunderen rondlopen. Er is ook een grote verscheidenheid aan vogelsoorten te zien, waaronder lepelaar en zeearend. De populaties zijn levensvatbaar, zeggen kenners, juist dankzij de grootschaligheid van het gebied. De excursies naar de grote grazers trekken veel belangstelling, vooral tijdens de bronst van de burlende edelherten in oktober.

Kenmerkend voor de natuur in Flevoland zijn de grote wateren van IJmeer, Markermeer en IJsselmeer plus de randmeren. Maar op het land valt toch vooral het grote areaal aan bossen op, aangeplant aan de randen van de polders om de landbouw niet in de weg te staan. De interessantste natuur ligt op Zuidelijk Flevoland, maar ook in Oostelijk Flevoland en de Noordoostpolder is veel groen te vinden. De bossen zijn deels op rijke kleigronden geplant, een zeldzaamheid in Nederland, zoals het vijfduizend hectare grote Horsterwold. De provincie ziet in deze bossen, tezamen met de randmeren, een mogelijkheid om de functies van natuur en recreatie te combineren. Om te beginnen als uitloopgebied voor de eigen bevolking, die de komende twintig jaar fors zal groeien, vooral omdat Almere zijn inwonertal volgens de kabinetsplannen in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening moet verdubbelen tot driehonderdduizend. Maar ook als recreatiegebied voor de rest van Nederland. Het zou best kunnen, zegt beleidsmedewerker Janine van den Bos van de provincie Flevoland, dat over vijftig jaar in het verstedelijkte Nederland Flevoland de functie heeft gekregen van het Groene Hart.

Als het aan Staatsbosbeheer ligt, wordt het allemaal nóg ruiger in Flevoland. Het openstellen van de Oostvaardersplassen voor iedere bezoeker zou het gebied te zeer verstoren, maar wel liggen er uitgewerkte plannen om een brede groene loper in te richten, een ecologische verbindingszone, tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe. Edelherten, wilde paarden en runderen moeten dan ongestoord kunnen migreren over grote afstanden, en tevens een bijdrage leveren aan het woongenot in Almere en Lelystad. Ook de Stille Kern van het Horsterwold ligt op deze route. Over een paar jaar zullen hier wellicht wisenten en edelherten lopen. Bezoekers kunnen er tussendoor wandelen, belooft Anne Hofstra, mits ze maar goed onthouden dat niet de mens maar het dier de natuurlijke bewoner van dit gebied zal zijn, en dat bijvoorbeeld het scheiden van een moeder van haar jong een felle reactie kan oproepen. Maar afgezien van een enkel mogelijk ongelukje ziet de boswachter ziet geen enkele spanning tussen natuur en recreatie. Ieder natuurgebied selecteert z'n eigen publiek, is zijn stelling, en waar de natuur niet gestoord wil worden, kan de bezoeker meestal ook niet komen. Omdat er te veel distels groeien, bijvoorbeeld, of omdat het gebied 's winters deels onder water staat. De natuur regelt zichzelf, meent hij, de maagdelijke natuur kan ontdekt worden.