Proeftuin onder zeeniveau

Flevoland zou het Nederlandse paradijs voor boeren en andere pioniers worden.

Een scheppingsverhaal.

Wie op Schiphol aanvliegt uit het oosten ziet doeken van Mondriaan; een gestreng land door mensenhanden gemaakt. De Flevolijn naast de A6, haaks daarop de Knardijk, windmolens bij Lelystad, boerderijen op telkens driekwart kilometer van elkaar. Het maaiveld ligt er tot zes meter onder de zeespiegel, dat zie je niet, dat weet je. Zoals je ook weet dat de IJsselmeerpolders vanaf de maan te zien zijn, net als de 70-jarige Afsluitdijk. Schoolboekenheroïek waarmee je Russen, Japanners of Amerikanen gemakkelijk kunt imponeren.

Maar wat is er op aarde, in de drassige en winderige praktijk, van dit polderland geworden? Wat hebben de inspanningen van de waterbouwers en landinrichters ons de afgelopen zeven decennia gebracht?

Zonder scheppingsverhaal laat de balans zich moeilijk opmaken. In den beginne waren er slechts zoute wateren, eb en vloed, en godvrezende vissers op het eiland Urk. Ingenieur Lely en zijn volgelingen deden er ruwweg tien jaar over (wat God in een dag volbracht, kostte de mens al gauw een decennium) om de getijdenwerking aan banden te leggen, de Zuiderzee te veranderen in een meer, zout in zoet water.

Ook de daaropvolgende drooglegging verliep moeizamer dan in Genesis 1:9 (En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo). De Noordoostpolder viel pas in 1942 droog, en dat na maanden van onafgebroken pompen; de Flevopolders volgden in 1957 (oost) en 1968 (zuid).

Lastiger nog dan het opwerpen van dijken, het graven van greppels en het bemalen van de droogmakerijen, was de uitverkiezing van de toekomstige bewoners. ,,We zoeken zoons uit een goed nest'', zeiden ambtenaren in hun overheidsrapporten. Zij beriepen zich daarbij op eugenetici die `een economische en sociaal-biologische keuring der immigranten' propageerden. Door een nieuwe maatschappij samen te stellen uit het beste `menselijke bouwmateriaal' dat Nederland te bieden had, zou de poldermens als vanzelf `uit de dommel der traditie' ontwaken. De verhouding katholiek, protestant en onkerkelijk diende een exacte kopie te zijn van die in de bestaande zuilenmaatschappij. Hoe evenwichtiger de opbouw naar levensbeschouwing, hoe solider het bouwwerk. Alleen getrouwde stellen werden toegelaten Drenten, Zeeuwen, Limburgers, Friezen, Tukkers, twee aan twee. Al verging de rest van het land, Nederland zou op de Zuiderzeebodem blijven voortbestaan. Maar de plooibaarheid van de maatschappij viel tegen en in 1947 gaf een van de betrokkenen, sociaal-geograaf S. Groenman, toe: ,,Het leek wel of we de pretentie hadden een nieuwe gemeenschap kant en klaar af te leveren, inclusief de middenvoor van de voetbalclub, het geroddel achter de horretjes en af en toe een bruiloft.''

Het was van meet af aan de bedoeling dat de in de Flevohof geplante mens de vruchten des velds (koolzaad, bieten, tarwe) zou gaan vermeerderen. De polders dienden als graanschuur in het naoorlogse beleid van Nooit Meer Hongerwinter. Al gauw behaalden de boeren recordoogsten en de ingenieurs zagen dat het goed was.

Toch was de schepping niet compleet, en zeker niet volmaakt. Tussen Lelystad en Almere-Buiten wilde de polder maar niet droogvallen. Dit onland veranderde spontaan in een moeras vol lisdodde, zeebies, ereprijs en grauwe ganzen. Voor het eerst was er door toedoen van de mens een stuk natuur bijgekomen, op een beoogd industrieterrein nog wel. Deze Oostvaardersplassen openenden de ogen van de biologen: de samenleving was dan misschien niet maakbaar, de natuur wel. De vogels streken er vanzelf neer, maar de grote grazers, de oerrunderen en de steppepaarden, die werden van overheidswege aan de lusthof toegevoegd (Compensatiegedrag uit een calvinistisch soort schuldbesef over het uitroeien van zoveel plant- en diersoorten).

Nog was Flevoland niet af. Groeikernen als Lelystad en Almere hadden tijd nodig om te ontluiken, het littekenweefsel van de kunstmatige samenleving heelde maar langzaam. Er werd gebouwd, traditioneel en experimenteel, er kwamen zwembaden, gevangenissen en jachthavens. Jonge gezinnen stroomden toe, en wie er oog voor had, zag daarin een nawee van de grote volksverhuizing: de deltabewoners die sinds de opmars van de Hunnen niet verder westwaarts konden trekken dan het Noordzeestrand, vonden een nieuwe wijkplaats op de drooggevallen Zuiderzeebodem. Voor wie vluchtten zij ditmaal? Voor de aanvankelijk zo gastvrij onthaalde immigranten uit vooral Turkije en Marokko, die op hun beurt de wederopbouwwijken in de Randstad gingen bevolken. Onbedoeld diende de polder als overloop voor de nieuwe migratiestroom van zuid naar noord.

En nu is dan het zevende scheppingsdecennium aangebroken. Er wordt niet rigoureus meer aan de polders gesleuteld, al zijn de projectontwikkelaars her en der in de weer met Toscaanse villa's, Balinese tuinen, een Bataafse wijk, neolithische boerderijhutjes, en een `middeleeuws' kasteel. De tijd is aangebroken om te rusten (recreëren) en te overzien. Is Flevoland geslaagd?

Dat hangt af van de maatstaf. Wilden we op het nieuwe land nabootsen wat we al kenden, of iets radicaal nieuws creëren? Een innovatieve, ontzuilde Poldermens is niet opgestaan. In de achtertuintjes van Lelystad of Dronten gedijt de kneuterigheid evengoed als op het oude land. Polderbewoner Henk Blanken betoogt in zijn boek Hotel Almere dat de Nederlanders zichzelf in de IJsselmeerpolders opnieuw hebben willen uitvinden. Hij ziet de polder als een polaroid van Nederland zelf.

Maar Nederland is geen statisch begrip, en zelfs als momentopname voldoet de vergelijking niet helemaal. Nu eens loopt de polderprovincie op de ontwikkelingen vooruit (genetisch gemanipuleerde gewassen; Almere's ambitie het vaandel van Silicon Valley over te nemen), dan weer blijft zij hopeloos achter (de tenenkrommende fanfare die Flevoland naar het Máxima en Willem-Alexanderfeest in de Arena had afgevaardigd).

De polders blijken niet immuun voor de kwalen van het oude land; er zijn neofascistische kaalkoppen en junks, verveelde brommerfreaks, bankrovers en computerkrakers. Het landbouwsucces is inmiddels omgeslagen in het tegendeel: de boeren zijn aan hun overvloedige productie ten onder gegaan en hun boerderijen stofferen een façadelandschap, het zijn gevels uit een western, gestut met de laatste agrarische premies. Straks slaat ook hier de rage van de natuurbouwers toe: het doorsteken van de dijken ten behoeve van de moerasflora en -fauna.

Maar om nou te beweren: `Flevoland is mislukt, spijtig, laten we ook hier de boel weer onder water zetten' dat is kolder.

Wie zo redeneert, vergeet dat Flevoland zijn waarde heeft bewezen als proeftuin. Het is geen paradijstuin, maar een laboratorium. Anders dan de glazen Biosphere 2 uit de woestijn van Arizona, of de hemelhoge studio uit The Truman Show staat er geen stolp over deze proefopstelling. Invloeden van buitenaf worden niet krampachtig geweerd.

Getuige de waaier aan kitscherig aandoende projecten is de polderprovincie zoekende. Wat knaagt is het gebrek aan geschiedenis, aan wortels die dieper reiken dan de graszode. En dus speelt Flevoland leentjebuur bij bestaande stijlen, sferen en stromingen, in de hoop daaruit iets eigens te destilleren. Alchemisten lijken het, die postmoderne plannenmakers met hun toefje Batavia en hun snufje Bali. Een palmbos? Nog een pretpark erbij? De langste golfbaan ter wereld?

Ach, de polders zijn nog jong en vief jonger in elk geval dan een gemiddeld mensenleven in Nederland.