Partijen en geld

Als de voortekenen niet bedriegen zal voor het eerst in de geschiedenis de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen ook door middel van grootschalige reclamecampagnes op televisie worden gevoerd. Daarmee steken Nederlandse partijen de Rubicon over op een moment dat elders in de wereld de weg terug wordt ingeslagen. Juist deze week bijvoorbeeld nam het Amerikaanse Huis van Afgevaardigen na een debat van zeventien uur een wet aan die een eind moet maken aan de ongelimiteerde donaties van particulieren en bedrijven aan partijen.

In Nederland was als gevolg van de bescheiden wijze van campagnevoeren de geldhonger van partijen nooit zo groot. De onvermijdelijke affiches en emmers met stijfsel konden altijd wel uit de giften van leden worden bekostigd. Maar met de stap naar de betaalde televisiepubliciteit is er sprake van een andere orde van grootte. Op het moment dat campagnebudgetten een overheersende rol gaan spelen in het electorale succes, wordt een glibberig terrein betreden. En dan valt op dat de Nederlandse wetgeving op dit punt tekortschiet.

Het probleem speelde tot nu toe nog niet omdat het tot 1998 niet mogelijk was politieke boodschappen door middel van televisiereclame te verkondigen. Partijen moesten het doen met de `door de regering ter beschikking gestelde zendtijd'. De komst van de commerciële televisie heeft ertoe geleid dat ook op dit punt Nederland zijn maagdelijkheid verloor.

De aantrekkelijkheid van het medium is evident. Met een groeiend contingent zwevende kiezers in een tijdperk van ontideologisering is er een grote markt voor commerciële politieke boodschappen. De persoon van de leider en de boodschap dienen eenvoudig en helder `gecommuniceerd' te worden. Televisie is daarvoor het middel bij uitstek. De meeste partijen hebben hun prudentie ten aanzien van dit communicatiemiddel dan ook laten varen.

Vooralsnog is onduidelijk om hoeveel geld het gaat. Daarvoor is het nog te vroeg. Maar van de kant van de STER wil men niet verhullen dat het om substantieel grotere bedragen gaat dan in 1998, toen de politieke reclamespot heel voorzichtig zijn intrede deed. De ervaring in het buitenland leert dat politieke tv-reclame al gauw een onbeheersbaar mechanisme is: de campagne van de één lokt die van de ander uit.

Het is te naïef om op dit punt te vertrouwen op `herenakkoorden' tussen partijen onderling. Zeker niet dit jaar, als er, naar het zich laat aanzien, een kapitaalkrachtige nieuwkomer in het spel is. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de mogelijkheden van de wetgever beperkt zijn. Het gaat te ver om televisiecampagnes te verbieden of te limiteren. Er kan slechts gehoopt worden op het gezonde verstand bij de partijen en het besef dat politiek iets anders is dan een product dat `in de markt' gezet moet worden.

De wetgever heeft wel een taak als het gaat om inzicht in de financiering van partijen en hun verkiezingscampagnes. Wat dat betreft is de pas drie jaar oude wet subsidiering politieke partijen uitermate summier. Er staat slechts dat giften van 4.500 euro of meer `anders dan van een natuurlijke persoon' openbaar gemaakt dienen te worden. Maar heeft de gever bezwaar tegen vermelding van zijn naam, dan kan worden volstaan met de omschrijving van de categorie van instellingen of organisaties waartoe de gever behoort. Kortom, vrijblijvendheid troef. Hier kan Nederland nu al veel leren van de Verenigde Staten, waar de openbaarheid van rechtstreekse giften aan partijen geen enkel voorbehoud kent.

Nu het geld ook in Nederland een grote rol dreigt te gaan spelen, hebben kiezer en collega-partijen recht op maximale en onmiddellijke openheid. Dat geldt ook voor de aan partijen gelieerde stichtingen en organisaties. Als partijen te koop zijn, moet ook glashelder zijn voor wie ze dat zijn.