Nieuw Nederland

Binnenkort komt de nieuwe uitgave van de Grote Kaart van Nederland. De eerste editie is verschenen in 1997. De schrik sloeg het volk om het hart. Op deze grote kaart is namelijk te zien wat wij burgers, overheden, bedrijven, niemand uitgezonderd – wij samen, met ons allen, zoals het in paars-Nederlands heet – de toen komende jaren wilden bouwen. Dat waren ongeveer 2.000 stedelijke projekten en 750 voor de infrastructuur en het landschap. Kort gezegd: in Nederland zou geen gras meer groeien, behalve het gras dat daarvoor een vergunning had gekregen.

Intussen hebben we het land onder onze ogen verder zien veranderen. `Daar hebben we geen Grote Kaart voor nodig!', hoor ik sommige mensen al zeggen. Juist wel. Met die kaart in handen kun je controleren wat er wel en niet van de plannen is uitgekomen. Veel wel. En of je het ermee eens bent of niet, het blijft je nieuwsgierig maken. Het resultaat is altijd anders dan het plan had beloofd, maar dat is juist het mooie. Ik hoor niet tot de langeneuzenmakers die ieder plan met ironie of schamperheid begroeten. Bertold Brecht dichtte: `Ja mach nur einen Plan, sei nur ein grosses Licht, und mach dann noch `nen zweiten Plan, gehen tun sie beiden nicht!' Nee, zonder plan geen actie.

Er zijn twee delen van het Nederland-in-aanbouw waar ik – uit pure nieuwsgierigheid, terzijde van mooi of lelijk – niet genoeg van kan krijgen: het nieuwe Hoofddorp en Amsterdam-Zuidoost. Ik heb er nooit een voet op de grond gezet, ik kijk uit het raam van de trein en ik zie ze groeien, jaar na jaar, en altijd weer voel ik me in het voorbijgaan de ontdekkingsreiziger.

Nieuw Hoofddorp heeft alles aan Schiphol te danken. Het bestaat uit kantoor- en bedrijfsgebouwen, van uiteenlopende architectuur, de ene `interessanter' dan de andere, meer het aankijken waard, en geen van alle lelijk. Ze staan aan brede, laan-achtige straten, er zijn een paar grote vijvers en natuurlijk ook grote parkeerterreinen, en er is een groot hotel. Alles groot maar niet kolossaal. Op het eerste gezicht is het een stad. En of ik er nu langs rijd in het spitsuur, of erna, op zondag of 's avonds laat, het aantal mensen dat ik in dit stadsbeeld zie lopen, valt op de vingers van twee handen te tellen. Het is virtueel.

Bent u wel eens in een amusementshal geweest? Daar heb je speelmachines waarmee je kunt voetballen, middeleeuws vechten, karateslagen uitdelen, in een racewagen zitten, schurken doodschieten. Vooral dit laatste. Dat doe je in een virtuele omgeving, je volgt ze door natuurgetrouwe maar verstarde straten. Niets is aan het toeval overgelaten, alles is zo echt mogelijk gemaakt, er rent zelfs een hondje weg. Maar het hele drama speelt zich af in een ijskoude bevrorenheid. De trein verlaat de Schipholtunnel, Hoofddorp komt in zicht, ik verheug me. Ik kijk in het scherm van een speelmachine in een amusementshal. Ongelofelijk, in de letterlijke betekenis. En nieuw Hoofddorp groeit; er staat een kantorentoren waarin je volgend jaar je airconditioned unit kunt huren. Ik zou me daar een paar maanden willen vestigen, om verslag uit te brengen van het leven in de virtuele wereld.

Amsterdam-Zuidoost. Wordt nog altijd gedomineerd door drie bolwerken van onze beschaving. Rijdend van het Centraal Station kom je eerst langs Muiderpoort en Amstel, de moderniteit van de jaren dertig. De Rembrandttoren slaan we over. Bolwerk nummer één is het torencomplex van de Bijlmergevangenis; nummer twee de Arena; nummer drie het Amsterdams Medisch Centrum. Misdaad, sport en gezondheid op een traject van een kilometer of twee. Compacter vind je het nergens. Toch beschouw ik deze trits als de moderniteit van gisteren. De echte, onversneden eigentijdsheid zien we, als we langs dat bioscoop- en entertainmentcomplex rijden. Dan doemen de kantoorgebouwen op die er al langer staan, en met hun vijvers en in hun strakheid aan de mensloze brede wegen precies in de virtualiteit passen. Ja, overdag rijden er veel auto's en je weet dat er mensen in zitten. En toch hoort alles tot het geprogrammeerde neo-stadsgezicht.

Deze keer hebben we Hoofddorp achter ons gelaten. Het is spitsuur. De trein rijdt parallel aan de snelweg. Daar staat een file, lang. We passeren de file, kijken naar de rijdende auto's, met achter het stuur de mensen die nog niet weten wat wij wél weten: dat ze straks ook in de file staan. Al voortmijmerend kom je zo tot eigenaardige conclusies over ruimte en tijd. Als twee mensen zich in tegengestelde richting bewegen, kan één van de twee daaraan de illusie van helderziendheid ontlenen. Of allebei natuurlijk.

We zijn in de buitenwijken van Den Haag. De skyline van de bastions der nationale bureaucratie paalt de horizon af. De man tegenover wie ik zit, keurige heer van middelbare leeftijd, streepjesdas, Samsonite-koffertje, trekt zijn derde kwartliter blikje bier open. De trein stopt voor een onveilig sein. In de stilte klinkt alleen het klok-klok van het bier door zijn keelgat.