Niet, wel, niet. Of toch?

De Markerwaard blijft in elk geval tot 2030 een plan op de tekentafel. Daarmee komt de jarenlange discussie voorlopig tot een einde.

Opmerkelijke mededeling van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in de eerste maand van het jaar: tot 2030 is inpoldering van het Markermeer uitgesloten. Het huidige paarse kabinet besloot in januari dat het Markermeer als open water moet worden behouden. Daarmee komt een eind aan de lange geschiedenis van dreigende inpoldering, waarin het waardevolle watergebied meerdere malen de dans ontsprong.

In 1877 werd de eerste wet tot inpoldering van de Zuiderzee ingediend. De wet haalde het niet, maar het plan om de Zuiderzee in te polderen bleef in de lucht. In 1913 zette koningin Wilhelmina inpoldering tijdens haar troonrede opnieuw op de agenda. Ze vond ,,de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van de waterstaatkundige toestand der omliggende provincies, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn.''

De vorstin beloofde spoedig een wetsvoorstel hiertoe aan het parlement voor te leggen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duurde het vijf jaar voor de wet door de Eerste en Tweede Kamer werd goedgekeurd. Kamerleden bleken de Zuiderzeewerken te zien als een oplossing voor voedselschaarste en watersnood. Het uit 1891 stammende plan-Lely zou uitgevoerd moeten worden. Het plan van ingenieur C. Lely omvatte een dijk van dertig kilometer in de `hals' van de Zuiderzee en vijf polders met een gezamenlijke oppervlakte van 225.000 hectare. De uitvoering van het totale project zou zo'n 32 jaar in beslag nemen.

De eerste fase begon in 1920. Na voltooiing van de eerste dijk in 1924 verscheen het rapport van de Staatscommissie-Lovink die wees op de snelle bevolkingsgroei en het dreigende tekort aan landbouwgrond in Nederland. Op basis hiervan besloot men de inpoldering met grote vaart aan te pakken.In 1942 was de Noordoostpolder voltooid. Vrijwel direct werd begonnen met inpoldering van de Markerwaard. Verder dan de aanleg van een dijk van tweeënhalve kilometer (Marken richting Edam) en grondverbeteringen kwam men dan echter niet. Op last van de Duitse bezetter werd de inpoldering stilgelegd. Met Marshall-hulp werden de Zuiderzeewerken in 1950 hervat, maar de Markerwaard wordt opnieuw op de lange baan geschoven. De Flevopolder was inmiddels op de tekentafel in tweeën gesplitst. Oostelijk Flevoland werd ingepolderd en was in 1957 gereed. Zuidelijk Flevoland werd bijna tien jaar later voltooid.

Het was toen al niet langer vanzelfsprekend dat de Markerwaard zou worden aangelegd. Eind jaren zestig en in de jaren zeventig rees steeds de vraag hoe wenselijk inpoldering van de Markerwaard eigenlijk was. Het milieubesef werd sterker, evenals de visserijlobby. Bovendien wilden veel mensen de natuur van het gebied behouden.

Nota's over de Markerwaard passeerden de revue. Telkens werd de wenselijkheid van de polder besproken en kwamen er ook alternatieven. Het rapport Beschouwingen over de Markerwaard van de Dienst der Zuiderzeewerken uit 1972 toonde zes opties voor de Markerwaard. Ze waren grofweg in te delen in: geen, matige en grote inpoldering.

Twee jaar later bracht de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een nota uit over de droogmaking van de Markerwaard. De Akademie was groot voorstander van inpoldering en concludeerde dat die tegemoetkwam aan de nog steeds groeiende behoefte aan ruimte voor de Nederlandse bevolking. De beschikbaar komende hectares zouden volgens de Akademie verstedelijking tegengaan in de kop van Noord-Holland en het Groene Hart.

Ook zag men daar ruimte voor een tweede luchthaven. Vrij gemakkelijk verwierp de nota argumenten van de tegenstanders: de biologische betekenis van het gebied was volgens de Akademie niet van dien aard dat het behouden zou moeten blijven.

Het kabinet leek overtuigd en besloot voor de Markerwaard een procedure voor planologische kernbeslissingen (PKB) op gang te brengen.

In 1980 besloot kabinet Van Agt I formeel tot inpoldering. Het ging dan wel om een kleiner gebied: tweederde van het oorspronkelijke plan was volgens het kabinet genoeg.

Een jaar later draaide het volgend kabinet-Van Agt de beslissing echter weer terug. De regering was ,,niet overtuigd van de wenselijkheid van inpoldering''. Inpoldering was daarmee echter nog niet van de baan. Een definitief besluit zou pas worden genomen als de planologische kernbeslissingprocedure was afgerond.

Het kabinet-Lubbers nam zich in 1982 voor een eind te maken aan het langlopende vraagstuk van wel of niet inpolderen. In het actieprogramma voor het begrotingsjaar 1984 stond dat het kabinet voor 1 mei van dat jaar een definitief oordeel moest vormen over de Markerwaard. Dat kwam er echter niet.

In 1985 deed de Stichting Initiatiefgroep Markerwaard uit Almere het voorstel de aanleg van de nieuwe polder met particulier geld te financieren. Het kabinet besloot daarop in beginsel weer tot aanleg, op voorwaarde dat het rijk geen geld in de realisering van de polder zou hoeven te investeren. Ook de multifunctionaliteit van de polder was een vereiste.

Toch zagen lang niet alle partijen de Markerwaard zitten. Het plan werd zelfs inzet van de verkiezingen. De PvdA was ronduit tegen inpoldering. VVD en CDA waren voorstanders, mits het gebied een multifunctioneel karakter zou krijgen. De VVD verbond er ook de voorwaarde aan dat het louter met particulier geld (banken, bedrijfsleven) bekostigd moest worden. Het CDA dacht daar wat ruimer over. D66 zag bezwaren door het ontbreken van een samenhangend beleid.

Intussen onderzocht een commissie van ambtenaren of inpoldering met louter particulier geld wel mogelijk was. Dat is niet het geval, was hun conclusie. De staat zou nog anderhalf miljard moeten bijdragen. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Smit-Kroes (VVD) besloot daarop `voorlopig' niet in te polderen. Zij vond het onverantwoord in een tijd van bezuinigingen op onderwijs en gezondheidszorg dergelijke grote investeringen te doen.

In 1989 gaf ze het plan toch een nieuwe kans. Uit onderzoek van oud-minister Van Aardenne bleek dat aanleg van de Markerwaard een winstgevende zaak kon worden. Toch bleef inpolderen politiek gezien gevoelig. De minister van Landbouw in die tijd, Braks, verwachtte dat hij in Brussel uitgelachen zou worden als hij zou vertellen dat Nederland een polder voor de boeren ging aanleggen. Het Europese beleid was er immers op gericht landbouwproductie te verminderen.

In 1990 nam het kabinet opnieuw een besluit over inpoldering. Op advies van de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, Maij-Weggen, werd weer besloten niet tot inpoldering over te gaan. De Markerwaard zou geen positieve uitstraling hebben vanwege de beperkte omvang en het eenzijdige landbouwkarakter. Maar ook nu liet het kabinet open of er voorgoed een eind komt aan de discussie over inpoldering Markerwaard.

Ook halverwege de negentiger jaren was er interesse voor inpoldering van de Markerwaard. Premier Kok liet meerdere malen zijn oog vallen op de Markerwaard als locatie voor een tweede luchthaven. Weer maakte de milieu- en natuurlobby zich sterk en het voorstel om de Markerwaard te gebruiken voor een nieuwe nationale luchthaven haalde het definitief niet. Althans voor de komende decennia.