Murw maken voor verhoor

Intimideren en bedreigen behoren tot het standaardpakket van recherchetechnieken. Niet alleen in de Puttense moordzaak zetten advocaten vraagtekens bij verhoormethoden van rechercheurs.

De Amsterdamse ambtenaar die verdacht werd van betrokkenheid bij subsidiefraude wist niet wat hem overkwam toen hij in een cel op het politiebureau belandde. Schriftelijk was hem te verstaan gegeven dat hij zich voor zijn aanhouding moest melden op het politiebureau. Onbegrijpelijk vond hij die brief, hij had tot dan toe voortdurend meegewerkt aan het onderzoek. Aangekomen op het bureau werd hij gearresteerd en opgesloten.

Na twee dagen van urenlange verhoren vroeg hij om een aspirientje tegen de hoofdpijn. Dat kreeg hij niet, aspirientjes waren niet voorhanden op het bureau. Na drie dagen in een politiecel had hij geen schone kleren om aan te trekken. Zijn vrouw had weliswaar een tas met kleren naar het bureau gebracht, maar niemand had de moeite genomen om hem die tas te geven.

Vervolgens werd hij overgebracht naar de zwaarst bewaakte afdeling van de Bijlmerbajes. Dat was op een donderdag en omdat zijn advocaat daar pas vrijdag achter kwam, ging er een weekeinde overheen voordat het verbod op contact met de buitenwereld werd opgeheven.

Een onderneemster, verdacht van handjeklap met die ambtenaar, onderging een soortgelijke behandeling. Om halfzes 's ochtends stond er een overvalwagen voor de deur. Ze moest uren in een cel wachten voordat ze werd opgehaald voor verhoor. Haar aanbod om dat geld terug te betalen was niet relevant. Ze moest praten, verklaringen afleggen over die ambtenaar, was de boodschap, anders moest ze desnoods maar een nachtje de cel in om haar geheugen wat op te frissen, kreeg ze te verstaan.

Beide verdachten waren niet vluchtgevaarlijk, noch hadden ze zware misdaden begaan. Het vroege tijdstip van de aanhouding en de uren in de cel maakten onderdeel uit van de veel gebruikte techniek om verdachten onverhoeds te overvallen en hen murw te maken voor het verhoor.

Elke advocaat heeft verhalen over `ongebruikelijke' verhoortechnieken, zegt de Amsterdamse advocaat, J.Pen. Zoals de verdachte van chequefraude die met zijn vriendin voor verhoor werd overgebracht naar een politiebureau. ,,Tegen die vriendin bestond nauwelijks verdenking. Maar in het busje kwamen de rechercheurs er achter dat die vrouw claustrofobisch was. Zij is in een cel gezet, in de veronderstelling dat zij daarna wel zou doorslaan met informatie over haar vriend. Ik mocht er als advocaat in eerste instantie niet bij, want ze waren al bezig met verhoren, was de mededeling. Pas toen ik om interventie vroeg bij de behandelend officier van justitie, kwam ze vrij.''

Dergelijke praktijken vinden meestal plaats als de advocaat van de verdachte niet aanwezig is bij verhoren, aldus Pen. Na voorgeleiding bij de rechter-commissaris moet een advocaat worden toegelaten bij verhoren. Maar ook die verplichting wordt volgens Pen in de praktijk regelmatig omzeild. ,,Dan krijg ik een telefoontje dat over een half uur op een politiebureau ergens in het land het verhoor begint. Dat kan ik dan vaak niet meer in mijn agenda inpassen.''

Midden jaren negentig raakte de recherche in opspraak toen de zogeheten `Zaanse verhoortechniek' in de publiciteit kwam, een techniek om zwijgende of ontkennende verdachten aan het praten te krijgen. Ze kwam aan het licht tijdens een ontvoerings- en moordzaak waarbij een van de verdachten tijdens de verhoren verteld werd dat zijn advocaat voor de organisatie werkte die voor die moord en ontvoering verantwoordelijk was. Hij zou inmiddels ook zijn afgschreven en opgeofferd door de organisatie, werd hem tijdens de verhoren te verstaan gegeven. In een andere zaak waarbij een Groninger verdacht werd van doodslag op een coffeeshophouder, werd de verdachte in de verhoorkamer geconfronteerd met foto's van het misdrijf, van het slachtoffer en van de vrouw en dochter van de verdachte. Uit videobanden van de verhoren bleek dat de verdachte kreeg te horen dat zijn vrouw en kind werden bedreigd. Dat de de politie hen zou kunnen beschermen, maar dat hij dan eerst zou moeten bekennen. Zijn vrouw zou op zoek zijn naar een andere partner en zijn dochter zou in de prostitutie terecht komen.

Eind 1996 verbood toenmalig minister Sorgdrager de Zaanse verhoorpraktijk na een advies van de recherche Advies Commissie (RAC), hoewel zij de mogelijkheid open hield dat een aantal methodes ervan wel bruikbaar waren voor verhoren. De Hoge Raad oordeelde in 1997 en in 1998 in een drietal arresten dat de Zaanse verhoormethode weliswaar niet door de beugel konden, maar ook niet zo'n ernstige schending waren dat het principe van `eerlijke behandeling' tijdens de verhoren was geschonden. Recent oordeelde ook het Europese Hof dat de Zaanse verhoortechniek toelaatbaar was.

Uit onderzoek van het WODC blijkt overigens dat verdachten tijdens verhoren meestal bekennen. Uit de processen-verbaal van bijna 200 delicten blijkt dat in 80 procent van de gevallen geheel of gedeeltelijk wordt bekend. In slechts 17 procent van de gevallen was er sprake van ontkenning of beroep op zwijgrecht, met name Turkse verdachten maken daar vaak gebruik van. Speciale verhoortechnieken voor lastige gevallen zijn dus maar sporadisch noodzakelijk, luidt een van de conclusies. Van de groep ontkennende verdachten wordt overigens de helft alsnog veroordeeld.