Ik kan lopen met GPS

Het Global Position System heeft op zee alle andere navigatiemiddelen verdrongen. Ook in de auto is gps niet meer weg te denken – besteldiensten kunnen niet meer zonder `car navigation'. Sinds enige jaren zijn er ook betaalbare gps-ontvangers voor wandelaars. Deze handhelds, enigszins gelijkend op een mobieltje, wegen tussen de 200 en 400 gram. De prijzen beginnen bij 200 euro. De duurdere types laten ook een kaartje zien. Met uitzondering van de stadskaartjes valt hierop niet te lopen, daarvoor zijn ze te grof. Maar de ontwikkelingen gaan snel. Sinds kort kun je een handheld gps koppelen met een palmtopcomputer. Waarschijnlijk loopt in de toekomst iedereen op gps. Maar voorlopig is de wandelaar nog aangewezen op kaart en kompas. Gps dient als aanvulling.

En gps heeft zijn beperkingen. De satellietsignalen kunnen verstoord worden door afwijkingen in de ionosfeer. Ook moet een ontvanger `vrij zicht' hebben: dus geen autodak, hoge bergen, hoge gebouwen (city-canyon), dicht gebladerte, hagelbuien.

De gps zegt in coördinaten precies waar je op de kaart bent en rekent uit welke richting je uit moet – als je tenminste vooraf enkele waypoints hebt ingeprogrammeerd, punten op de kaart waar je heen wilt. Dat lijkt eenvoudig, maar is het niet. Want anders dan de car navigation in de auto moet je zelf de coördinaten op de kaart opzoeken. En dat is nog niet zo gemakkelijk. Wat je wel altijd kunt doen is je huidige positie met een enkele klik vastleggen en bewaren: de hut of de auto. Dan kun je later de weg terugvinden.

Op zeekaarten wordt altijd gebruik gemaakt van een coördinatenindeling (grid) in graden en minuten. Dit is relatief eenvoudig. Maar landkaarten hebben meestal een ander grid. En er zijn honderden soorten. In veel landen wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde UTM-grid. Hierin wordt de wereld verdeeld in 60 langwerpige stroken. Nederland ligt op strook 31. Een plek op de kaart wordt uitgedrukt in eastings en northings, getallen in meters. De meeste handheld ontvangers kennen het UTM-grid.

Maar de Topografische Dienst Nederland hanteert op stafkaarten een eigen grid, de zogenoemde Amersfoort-coördinaten, een grid dat gangbare gps-ontvangers niet kennen. Om een stafkaart goed te kunnen gebruiken, moeten de parameters van dit grid handmatig worden ingevoerd in het zogenaamde user-grid van de gps-ontvanger. De juiste getallen staan op de website www.tdn.nl onder `coördinaatsystemen'.

Ook moet voor iedere kaart de zogenaamde kaartdatum worden ingesteld, een verwarrend woord voor de wijze waarop de wereldbol in de mathematische formule voor een omwentelingsellipsoïde wordt uitgedrukt. Moderne kaarten maken gebruik van WGS84, maar in Europa is nog heel gebruikelijk `European 1950' en `Bessel 1841' (staat in de legenda). In het veld maken deze standaarden een verschil van ruim honderd meter, in het buitenland vaak veel meer.

Sinds de Verenigde Staten de selective availability (opzettelijke beperkte nauwkeurigheid voor burgers) heeft uitgeschakeld is een gps-ontvanger tot op enkele meters juist. Maar vanaf een `koude start' – je stapt uit de auto en zet hem aan – duurt het wel enige minuten voordat hij de positie gevonden heeft, ook met moderne 12-kanaals ontvangers. Je kunt hem permanent aanhouden, maar dan zijn de batterijen gauw leeg. Beter is het om hem om het half uur even aan te zetten, dan pikt hij de positie snel op.

Hoe weet je nu dat de positie nauwkeurig is? Dat is heel eenvoudig. Je ziet na het aanzetten de positiecijfers verspringen. Eerst ruw, daarna in fijnere stapjes en tenslotte blijven ze om een eindwaarde heendansen. Een snellere manier om te kijken of de gps bij zijn eindwaarde gekomen is, is een radiogestuurd klokje te gebruiken en de gps-tijd met deze radiotijd te vergelijken. Vallen ze samen, dan is de positie nauwkeurig.