Het mannetje van de daden en de massa

Twee jaar gaat het proces duren tegen de vroegere Joegoslavische president Miloševic. Op verzoek van deze krant wonen schrijvers een zittingsdag van het Joegoslavië-tribunaal bij. 'Het raadsel wordt niet alleen door het monster gevormd', schrijft Leon de Winter.

De rechtszaal is ingericht in een zaaltje dat doet denken aan de vergaderzaal van een verzekeringsmaatschappij. De binnenwand is weggeslagen. Crèmekleurige gordijnen houden het daglicht buiten, kogelvrije ruiten de journalisten. Je kijkt door met stalen plinten omkaderd glas, waardoor het tafereel voor de tafel van de drie rechters iets museaals krijgt. Gezien vanaf de perstribune (een te groot woord voor een met schotten afgebakend deel van een hal op de eerste verdieping) zitten rechts de aanklagers, onder leiding van de kokette Carla del Ponte; in het midden, met hun rug naar de buitenmuur, dus frontaal tegenover de pers, zitten drie rechters gekleed in modieuze toga's die met rode, zijden schouderstukken zijn afgezet; schuin tegenover hen, met hun rug naar de pers toe, de drie `vrienden van het hof', die er niet alleen door hun plaats maar ook feitelijk voor spek en bonen bij zitten; en links zit het monster, geflankeerd door twee bewakers van Mike Tyson-achtige afmetingen. Een grote kijkdoos, een theaterstuk in opdracht van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waarvan het laatste bedrijf, zoals bij elk drama, vooraf vaststaat.

Net als bij een première in een schouwburg hangt er voor het begin een lichte, vrolijke spanning. De aanklagers trippelen opgewonden rond de bühne, de vrienden weten niet goed raad met hun houding, en de vele griffiers en assistenten geven zich ongegeneerd over aan wat iedereen hier fascineert: dat hier vandaag het wereldtoneel staat. Buiten wacht een rij schotelwagens die de beelden van de acteurs over de wereld zullen zenden. De journalisten die elkaar van andere grote processen en brandhaarden kennen, onder wie Christiane Armanpour, de eigen tv-babe van CNN, hebben geen last van premièreangst. De stemming zit er snel in, nog voor het monster opkomt, en zodra hij, onaangekondigd, bijna vanuit het niets, opeens achter zijn tafel staat, turend door het glas of hij een bekende ziet – ja, een knikje naar iemand die hij kent, een wanhopig glimlachje – is iedereen al voldaan. Maar the show must go on.

Carla beukt er meteen op los. Ze is koel en verwoestend, trekt alle registers open. Volkerenmoord, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hij, het monster, dat bleke, muizige mannetje, heeft zich laten leiden door blinde machtsdrift. Hij weet niet hoe hij moet kijken, trekt zich in zichzelf terug alsof hij op zondagmiddag bij de thee in slaap is gesukkeld, slaat dan weer zijn ogen op en minachting straalt uit zijn blik. Voor iedereen, behalve voor hem, is dit de kans om de carrière te vervolmaken of met een dreun te beëindigen. De klus van je leven. Het proces van de eeuw. Het monster voelt zich bekeken, naakt haast, en wil alleen maar verdwijnen. Ogen dicht. Hoofd gebogen. Dan weer woede en een alles trotserende blik naar de gieren van de pers. Hij draagt een donkergrijs pak, een lichtblauw hemd, een gestreepte das met blauwe en grijze tinten. Hij heeft een bijna babyachtig gelaat en een bovenmatig hoog voorhoofd. Als hij zijn mond gesloten houdt, bollen zijn wangen en wordt de afstand tussen neus en kin embryonaal klein, alsof hij tussen zijn kaken een slecht zittend kunstgebit klemt.

Del Ponte zegt dat dit proces niet gaat over de collectieve schuld van het Servische volk, dit proces gaat ook niet over staatsinstellingen en mag evenmin ontaarden in een politiek proces waarin de politieke keuzes van het mannetje, zijn entourage en de buitenwereld besproken worden; dit is geen `debating club' (zoals een journaliste opmerkte). Del Ponte wil dat schuld hier bijna klinisch vastgesteld gaat worden. Daar zit de man, dit zijn de feiten, en de komende jaren – men verwacht een proces dat twee jaar duurt – moeten nuchter de lijntjes tussen het een en het ander getrokken gaan worden.

Geoffrey Nice, een Britse aanklager, neemt na Del Ponte het woord. Het eerste halfuur vertelt hij van verbijsterende gevallen van wreedheden. Vervolgens legt hij urenlang uit hoe de commandostructuren in het voormalige Joegoslavië en daarna in Servië functioneerden, maar directe bewijzen – een getekende opdracht, een direct bevel tot moord – verschijnen niet op tafel. Alles wat Nice aanvoert is `circumstantial'. Het monster was als autoritair staatshoofd verantwoordelijk, als volksmenner stimuleerde hij stemmingen en ideeën, en toch laten de ingewikkelde organogrammen die Nice toont – vele blokjes op een vel papier met een jungle van verbindende lijntjes – hoogstens zien dat de boel nagenoeg ongrijpbaar in elkaar steekt. Het monster was slim, zo verklaart Nice de onbegrijpelijkheid van de organogrammen, hij wilde elk spoor naar zichzelf verhullen.

Moreel is het monster verantwoordelijk, maar is hij dat ook in klinisch-juridische zin? Schuld moet worden vastgesteld, maar door de schuldvraag te verpersoonlijken en door het monster in het centrum van de onmenselijkheden te plaatsen vervagen andere vragen. Vragen die net zo belangrijk zijn als de vraag of dit mannetje van de daden van het tuig dat de moordpartijen heeft aangericht tot in detail heeft geweten. Die andere vragen hebben te maken met de westerse verantwoordelijkheden. Met de kwestie van Europa's indolentie. Met vragen naar Balkanpsychosen, nationalisme, irrationaliteit, religieuze bezetenheid.

Als hij het niet had geweten, dan had hij er in de westerse pers over kunnen lezen, zegt Nice. Wie niet, denkt de toehoorder onwillekeurig, welke krantenlezer en nieuwskijker in Europa heeft er vanaf het eerste begin van de slachtingen niet kennis van genomen? Europa heeft misschien niet zoveel geweten als het mannetje, maar genoeg om het woord genocide te horen, om het begrip `ethnic cleansing' in het vocabulaire van zijn beschaving op te nemen, om door het beeld van uitgehongerde gevangenen achter prikkeldraad aan dat andere onbenoembare beeld te denken. Maakt weten medeplichtig?

Dit mag geen oeverloos politiek proces worden, hebben de aanklagers laten weten. Dat hoeft ook niet, want het gaat om de machtswellust van het mannetje, herhalen zij onafgebroken. Maar is dit motief, als definitieve verklaring van de beestachtige moorden die in naam van de Servische etnische eigenheid gepleegd zijn, eigenlijk niet simplistisch dun? Het wemelt in de wereld van machtswellustelingen, maar slechts een enkeling slaagt erin een symbiose met een massa – waarvan hij de diepste angsten en verlangens stem en vorm geeft – te laten ontstaan. Macht bestaat niet in een vacuüm. De leider bestaat bij de gratie van de massa. En omgekeerd.

Hij wilde de nieuwe Tito worden, zegt Nice. En doet geen poging Tito's regime, dat van de verlichte politiestaat, te duiden. Achteraf beschouwd was Tito's model een solide deksel op een ketel met religieuze, etnische en nationalistische wanen. Tientallen jaren Tito hebben die ketel niet kunnen droogkoken. Gedurende een decennium, in de jaren tachtig, ging de deksel scheuren en aan het fornuis dook een nieuwe kok op, een onbeholpen redenaar die de lessen van de Joegoslavische Titokeuken goed tot zich door had laten dringen en besefte dat het tijd was voor een nieuwe gerecht.

De traditionele Balkaningrediënten waren kakelvers. Joegoslavië had nooit bestaan. Kroaten, Serviërs, Bosniërs, Montenegrijnen, allemaal bevangen door angst en tweelingbroerhaat. De ineenstorting van het Joegoslavische model van het reëel bestaande socialisme maakte krachten los die blijkbaar niet waren afgestorven. Waarom?, denkt de krantenlezer en nieuwskijker. Wat heeft het monster aangeboord dat sterker is dan het fatsoenlijke burgermansverlangen naar rust, zekerheid, regelmaat? Waarom kon het Joegoslavische model binnen enkele jaren vernietigd worden, met als gevolg tienduizenden doden en vele honderdduizenden vluchtelingen?

Om de kwaadaardigheid van het monster te illustreren laat Nice een minuutje video zien. April 1987. Een stadje in Kosovo. Chaos. Serviërs in gevecht met de oproerpolitie. In een zaal in het stadje moet het mannetje een redevoering houden, maar hij wordt naar buiten geroepen. Hij moet iets doen, wordt hem gesmeekt. Niemand kan de chaos stoppen, alleen hij, de hoge partijfunctionaris, kan de gemoederen tot bedaren brengen. Je ziet hem naar buiten lopen. Vijftien jaar jonger. Nog kleur in zijn haar. Hij is bang, je ziet 't, maar hij loopt door, de brullende menigte in. Een oude man klampt zich aan hem vast en zegt huilend dat hij geslagen wordt. En het monster antwoordt: ,,Je zult niet meer geslagen worden.''

Nice wil dat het hof en de pers zien hoe het monster de situatie misbruikt, maar dat doet het niet. Het is een dramatisch moment. Hij kalmeert. Hij geeft steun. Hij groeit. Het is zijn geboorte als leider. Hij overwint zijn angst en weet vanaf dat moment dat de angst van anderen zijn brandstof is. En daarbij: hij heeft rechten gestudeerd, zijn vrouw sociologie, en waarschijnlijk Elias Canetti's Massa en Macht gelezen, of er op z'n minst van gehoord: ,,De massa heeft een richting nodig. (-) De massa bestaat zolang ze een onbereikbaar doel heeft.''

Hij was geen idealist of racist, zegt Nice, zoekend naar een motief. Het ging om macht, macht ten koste van alles. En hij laat een andere video zien. Een miljoen mensen in Belgrado. Een miljoen. Ze wachten op hem. Roepen om hem. Smachten naar hem. Hij laat ze wachten. Vierentwintig uur laat hij ze wachten, zegt Nice. Maar ze blijven. In afwachting. In aan verliefdheid grenzende hoop. En dan verschijnt hij en praat vier minuten. Hij laat ze vierentwintig uur wachten en praat vier minuten, herhaalt Nice met minachting. Weet Nice niet dat hij hier de wereld op zijn kop zet? Het raadsel wordt niet alleen door het monster gevormd; het raadsel zit ook in de hoofden en harten van dat miljoen mensen. Deze aangeklaagde bestaat niet zonder zijn massa. Zijn schuld is onverbrekelijk verbonden met de angsten en dromen van miljoenen anderen. Wat hij in abstractie heeft losgemaakt, is uiteindelijk door duizenden concrete handen uitgevoerd. Aan de moorden gingen fatale processen tussen hem en zijn massa vooraf. Zonder kennis daarvan, zonder inzicht in de complexe relaties tussen macht en onmacht, blijft elk motief hangen in de hulpeloze vaagheid van `machtswellust'.

De precieze afbakening van het mandaat van het tribunaal – geen woord over de NAVO-aanvallen, geen woord over de Europese of Amerikaanse politiek, geen woord over de essentiële vraag naar de wortels van de wanen – doet de vraag opkomen of het westerse politieke establishment, de instigator van het proces, wel geïnteresseerd is in een aanpak die elk aspect van dit meest recente geval van Europese genocide zo onbarmhartig mogelijk aan het duister kan ontrukken. Dit bijzondere tribunaal had de breedst mogelijke opdracht moeten krijgen. Nu behandelen Del Ponte en Nice het fenomeen Joegoslavië alsof het om een zojuist ontdekt eilandje in de Stille Oceaan gaat waarvan de goudeerlijke maar naïeve bevolking door een krankzinnige met nationalistische vruchten vergiftigd werd – zonder buitenwereld, zonder `envoys', zonder het eigenmachtige optreden van Duitsers, Fransen, Britten, Russen. Door het mannetje te verheffen tot de bron van alle kwaad, en zich hardnekkig doof te houden bij vragen die het in een wereldwijde, menselijke en dus beestachtige context plaatsen, reduceren zij de recente Balkanoorlogen tot de persoonlijke machtsaberraties van een gestoorde man. Miloševic wordt ervan verdacht weerzinwekkende moorden te hebben geïnstigeerd, en moet dus berecht worden. Maar het is zelfbedrog om alle schuld tot zijn schouders (of die van een bepaalde kliek) te beperken. Het wachten is op 300 getuigen. 300 verhalen vol afscheid en rouw. Dan volgt de veroordeling, zonder dat we iets geleerd hebben.

En het oude Europa, schuldig tot in zijn hart, gaat over tot de orde van de dag. Tot het volgende monster opstaat.

Dit is de eerste aflevering van een serie artikelen van schrijvers die een dag het Joegoslavië-tribunaal bijwonen.