Het hart van Nederland

Nog maar een paar jaar geleden werd op de opiniepagina's en in lusteloze fora vaak gelaten vastgesteld dat er over Nederland eigenlijk weinig meer te beweren viel, en zeker niet iets wat felle discussies zou kunnen oproepen. Nederland is af, heette het. De babyboomers rustten gerieflijk op de lauweren van hun verbleekte engagement, de politieke partijen kwamen elkaar op alle punten welwillend tegemoet, extreem-rechts wilde maar niet bedreigend worden en de welvaart bleef maar groeien. Wie zich hier idealistisch en bevlogen wilde tonen, moest het in het buitenland zoeken.

Dat bleef altijd iets afgeleids houden; je kon je het lot van Salman Rushdie nog zo aantrekken, je kon de kunstenaars en intellectuelen van Sarajevo nog zo vaak een hart onder de riem steken, je kon je nog zo opwinden over de vervuilende praktijken van Shell in Nigeria, maar je eigen hachje was nooit in het geding. Gelukkig maar, en toch... In Nederland bleek, ondanks de talloze schandaaltjes, zelfs het antisemitisme nagenoeg verdwenen; en nadat de stokoude weduwe Rost van Tonningen voor de zoveelste keer publiekelijk op de brandstapel was gegooid, had ook daar niemand meer zin in.

Hoe heeft dat zo snel zo radicaal kunnen veranderen? Van een samenleving waarin niemand elkaar meer ergens op aansprak en waarin men zich louter in even geruststellende als nietszeggende clichés bediende (`Als racisme wint, verliest de sport'), is Nederland ineens veranderd in een natie waarin iedereen bezig lijkt elkaar voortdurend overal op aan te spreken. De burger verwijt de politiek, de politiek verwijt de burger, de overheid de ondernemers (en omgekeerd), de meerderheid de minderheid (en andersom), de autochtoon de allochtoon (en vice versa). De handschoenen zijn uit, er wordt harde taal gesproken. Nog niet eerder vlogen de verwijten zo snel over en weer. Het is een nationale burenruzie, met de jijbak als favoriete strijdmiddel.

Die overgang van het oude Nederland van het geruststellende cliché naar het nieuwe Nederland van de harde woorden, zag ik het mooist verbeeld tijdens wat de komende twee weken de nacht van Fortuyn zal heten: de afgezette lijsttrekker van zijn rancunepartij werd door het open raampje van zijn auto klaaglijk aangesproken op zijn vermeende racisme door een vrouw van middelbare leeftijd, die in de luttele seconden van een nieuwsflits er toch een maximaal aantal multi-culti clichés wist uit te gooien: je beoordeelde mensen toch niet op de kleur van hun ogen, blauw bruin of groen, we zijn toch allemaal mensen, Fortuyn behoorde toch zelf ook tot een minderheid en dan moest hij toch zeker ook tegen discriminatie zijn?

De vrouw met de smekende blik in haar ogen zag haar wereldbeeld duidelijk wankelen. Ze geloofde nog heilig in het schijnbeeld dat decennialang door politici als Ed van Thijn in stand gehouden is: een door en door zelfgenoegzaam idealisme waarin de complexe sociale realiteit gesmoord wordt in een saus van humanistische algemeenheden, met de Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt wie daar kanttekeningen bij durft te maken, wordt onmiddellijk tot reactionair verklaard, en als hij niet oppast tot racist. Dat soort idealisme, dat in wezen zuiver sentimenteel is, kan niet te veel werkelijkheid verdragen. Het is de terreur van de dooddoener.

Ook in de reacties van de zittende politici op de omstreden uitspraken van Fortuyn in de Volkskrant, weerklonken schrikbarend veel echo's van die goedbedoelde schijnheiligheid: het hart van onze beschaving, Nederland wordt wakker. En ja hoor, daar kwam Anne Frank alweer voorbij. Voor een verbod zou ik niet durven pleiten, maar het zou een verademing zijn wanneer politici en commentatoren voorlopig even niet bij iedere actuele kwestie, of het nu de oorlog tegen het terrorisme is of de opvattingen van Pim Fortuyn, Auschwitz of Onze Bevrijders aanroepen om hun morele gelijk te halen.

Dat al die retoriek geen enkel effect gehad blijkt te hebben op het grommende kiezersvolk, laat alleen maar zien hoe betekenisloos die is geworden. Wanneer de Nederlandse politiek aan zelfonderzoek probeert te doen, komt men doorgaans niet verder dan het erkennen van een groeiende weerzin tegen de achterkamertjescultuur in Den Haag. Ook dat is een oud cliché, dat alleen maar aangeeft hoe gemankeerd het zelfbeeld van de Nederlandse politici is. Nederlandse burgers ergeren zich helemaal niet aan stil overleg; het is dan ook alleen een egomane volksmenner als Rob Oudkerk die zijn partijgenoten oproept weer meer naar de mensen op straat te luisteren. Van alle sociaal-democratische clichés is dat wel de meest afgetrapte. De omslag die de afgelopen jaren in de Nederlandse samenleving heeft plaatsgevonden snijdt veel dieper: het is de omslag van idealisme naar realisme.

Of van schijnheiligheid naar cynisme. Want juist in die geperverteerde vorm wordt die omslag nu overal zichtbaar: tegenover de wezenloze gemeenschapsretoriek van het politieke establishment staat nu de koudbloedige verongelijktheid van Fortuyn en zijn partijtjes. De nieuwe nuchterheid biedt geen enkele ruimte voor illusies; de gedroomde multiculturele samenleving, die zo lang op louter goede bedoelingen steunde, blijkt nuchter bekeken niets anders dan een dramatische mislukking, die de klok van de westerse beschaving dertig jaar achteruit heeft gezet. De tegengestelde idealen van enerzijds volledige opname en anderzijds een krampachtig behoud van eigenheid, worden nu plotseling zonder pardon naar de schroothoop verwezen. En de uitgestoten dorpsgek Janmaat krijgt alsnog zijn gelijk.

Maar het is ook zo gemakkelijk om Janmaat en de zijnen gelijk te geven. De zegeningen van het multiculturalisme laten zich steeds moeilijker tellen, zowel door autoch- als allochtonen. De stellingen worden betrokken, de retoriek van wederzijds begrip en integratie wordt overstemd door de roep om een harde aanpak. Aan de ene kant wordt geschermd met onwrikbare westerse waarden, aan de andere kant wordt steeds vaker schaamteloos de eigen achterban gemobiliseerd.

Dat onze omgang met de zogenaamde multiculturele samenleving een toetssteen is van onze mate van beschaving, lijkt me vanzelfsprekend. Daar hangt alles mee samen: hoe we naar de wereld kijken en naar onszelf. De huizenhoge problemen die ermee gepaard gaan, laten zich niet bestrijden door smetvrije schijnheiligheid en ook niet door het nieuwe cynisme. Het is Ed van Thijn die Pim Fortuyn heeft gebaard. Nu is het aan de politiek om een praktisch ideaal te formuleren dat realisme paart aan een visie die verder reikt dan een handvol ongetoetste clichés. Zolang Ad Melkert met niets beters komt dan `Nederland word wakker!', heeft Fortuyn vrij spel.