Dagloners en echtgenotes

dubbelfocus. nederlandse opgravingsfoto's 1900-1940. tot 29 september in het rijksmuseum van oudheden, rapenburg 28 leiden. di-vr 10-17u., weekends en feestdagen 12-17uur. museumtoegang €6, - (diverse kortingen). catalogus €13,50.

Langzaam maar zeker groeit de belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Sinds een jaar of drie is er zelfs een informeel `Genootschap ter Bestudering van de Geschiedenis van de Nederlandse Archeologie'. Het praatclubje wordt gewoon `Het Genootschap' genoemd. De ongeveer achttien, vooral wat oudere, archeologen die er lid van zijn komen twee keer per jaar bijeen in een vergaderkamer van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort.

Archeoloog Leo Verhart is lid van dat Genootschap. Soms gaat het er alleen over details die voor deskundigen interessant zijn. Maar Verhart, conservator Prehistorie bij het RMO in Leiden, is meer van de grote lijnen en voor het grote publiek. En dus heeft hij nu uit het archief van het RMO een met 100 foto's bescheiden, maar zeer onderhoudende tentoonstelling samengesteld, Dubbelfocus. Nederlandse opgravingsfoto's uit 1900-1940.

In 1900 bestond archeologie als vak amper een eeuw. Lange tijd was het vooral een serieus, maar aangenaam tijdverdrijf geweest voor notabelen, tot in 1818 C.J.C. Reuvens in Leiden tot de eerste (bijzonder) hoogleraar niet-klassieke archeologie ter wereld werd benoemd. En als directeur van het toen opgerichte Museum van Oudheden was hij ook de eerste professionele archeoloog, zeggen Nederlandse archeologen. Dit is echter nauwelijks tot het buitenland doorgedrongen. Meestal geven de internationale handboeken de eer aan de Deen Jens Worsaae, die zestien jaar na Reuvens op kosten van de Deense koning opgravingen uitvoerde.

Reuvens legde zijn werk nog vast op tekeningen en zijn opvolgers ook. Dat veranderde rond 1900 met de komst van J.H. Holwerda als conservator van de Nederlandse afdeling van het Leidse museum. Hij had in Duitsland stage gelopen en was met nieuwe inzichten teruggekomen. Daartoe hoorde ook de ontwikkeling van de zogeheten sleuvenmethode, waarbij het onderzoek zich in eerste instantie beperkte tot een aantal gegraven sleuven. Met beperkte inspanning werd daarmee een groot oppervlak onderzocht. Nadeel was dat de grondsporen in de smalle sleuven slecht herkenbaar waren. Verder was het moeilijk om de onderlinge samenhang van de sporen vast te stellen.

Holwerda was in het eerste kwart van de 20e eeuw de bekendste Nederlandse archeoloog. De foto's van zijn opgravingen geven een goed beeld van hoe het veldwerk er in die tijd aan toe ging. Dagloners uit de omgeving deden het graafwerk. Holwerda, altijd begeleid door zijn echtgenote die tekende en vondsten schoon maakte, hield toezicht vanuit een speciale wit geschilderde opgravingswagen of een grote tent die herinneringen oproept aan middeleeuwse riddertoernooien.

De meeste foto's, die ook vertellen over niet meer bestaand Nederlands landschap, spreken voor zichzelf. Dat geldt bijvoorbeeld voor de twee foto's van koninklijk bezoek aan een opgraving van Holwerda. De eerste keer, in 1907, toen Wilhelmina met Prins Hendrik en een hofdame een bezoek bracht aan de opgraving van een grafheuvel bij Nierssen, staat Holwerda er nog krampachtig op. Tot overmaat van ramp was de foto ook nog overbelicht. Twee jaar later, toen Hendrik naar Holwerda's werk bij Vaassen kwam kijken, kende hij de prins-gemaal beter en kon hij ontspannen de lens inkijken.

Een andere foto kan alleen op waarde geschat worden met de uitleg in het boek dat de tentoonstelling begeleidt. Het is een foto uit 1912 van een dagje uit van de Nederlandsche Anthropologische Vereeniging. Holwerda staat in het hunebed van Drouwen. Rechts zit een man gearmd met een vrouw. Hij heeft een blik die zegt: `Wacht maar'. Het is Albert Egges van Giffen, die andere grondlegger van de moderne Nederlandse archeologie. Hij werkte toen nog voor Holwerda, maar zou korte tijd later zo van inzichten met Holwerda verschillen en zo'n ruzie met hem krijgen dat de minister-president er aan te pas moest komen. Van Giffen verdween naar Groningen, vol wraakgevoelens en met maar een doel, een einde maken aan het Museum van Oudheden als leidend opgravingsinstituut. Hij was pas tevreden toen hij kort na de oorlog hoofd werd van de archeologische rijksdienst en de eerbiedwaardige en ervaren voorgravers van het RMO opdracht kon geven om voor zijn nog jonge en onervaren assistenten te werken.