Boekje voor het boekje

Nee, geen proefschrift, maar een boekje over het schrijven van proefschriften en het bestaan als promovendus. Geschreven door een lotgenoot, die het inmiddels tot doctor in de politicologie heeft gebracht. In Nederland zijn er niet veel van dit soort boeken, om niet te zeggen dat dit zo'n beetje de eerste is. Vreemd eigenlijk, want elk jaar treden er zo'n 700 - 800 nieuwe aio's en oio's aan en beginnen in ieder geval enkele honderden al in het arbeidsproces opgenomen academici als `buitenpromovendus' aan hun proefschrift. Het aantal kandidaten is natuurlijk nog groter. Kortom, een kleine maar aantrekkelijke markt voor een handboekje. In de Verenigde Staten zijn de `beginnend' (waarom niet beginnende?) wetenschappers al eerder ontdekt. `How to survive your dissertation' en meer van dat soort titels zijn de Lonely Planet-gidsen voor een intellectuele wereldreis, die minstens vier, maar vaker vijf of zes jaar duurt.

Het is echt een aardig boekje dat niet alleen iedereen die over een proefschrift denkt goed zal kunnen gebruiken, maar ook hun familieleden en vrienden in ieder geval een beetje duidelijk maakt wat een promotie is en waarom het zo lang duurt voor zo'n klein boekje soms maar enkele tientallen pagina's klaar is. Van de sollicitatie naar een aio-plaats tot het huren van een rokkostuum voor de promotie zelf worden alle fasen en alle moeilijke momenten en dat zijn er heel wat behandeld op een manier waar ook heel wat proefschriften fors van zouden opknappen. Dat is ook het enige advies dat ontbreekt: kijk als je zelf gaat schrijven, vooral goed hoe de beste anderen het hebben gedaan. Hoe hebben ze hun betoog opgebouwd, hoe introduceren ze een nieuw thema, hoe sluiten ze af? Een te groot deel van de wetenschap bestaat uit overschrijven, maar `naschrijven' wordt juist weer te weinig gedaan.

Juist de beschrijving van het hele systeem van de onderzoekscholen en de aio-aanstellingen herinnerde me eraan hoe kort het toch nog maar geleden is dat een promotietraject een eenzaam traject was. Ik begon na mijn afstuderen in 1973 aan een Duitse universiteit met mijn proefschrift. Net zoals Chomsky met zijn transformationeel-generatieve grammatica de taalkunde veranderd had, zo wilde ik de sociologie veranderen door op dezelfde manier de regels van de menselijke omgang te ontdekken. Niemand zei dat dit misschien toch wat erg hoog gegrepen was, maar niemand nam ook serieus de moeite om te zorgen dat er een wat beter haalbare probleemstelling werd geformuleerd. Voor promovendi was er helemaal niets georganiseerd, je moest het allemaal zelf maar zien uit te vinden en je onderzoek deed je in de bibliotheek. Niemand voelde veel aandrang te kijken hoe het er in de samenleving echt toeging. Tegenwoordig is het al bijna zo, dat een proefschrift zonder empirisch onderzoek de leescommissie nauwelijks voorbij komt.

Veel jonge onderzoekers doen weinig anders dan het onderzoeksproject van hun promotor of begeleider uitwerken. Soms kan het ook niet anders, omdat er geen geld is voor eigen onderzoek of omdat het opzetten van een nieuw onderzoek veel te veel tijd kost.

Lelieveldt wijst er terecht op, dat de assistent of onderzoeker in opleiding (de aio is in dienst van de universiteit, de oio van de KNAW of NWO en is anders dan de assistent vrijgesteld van onderwijstaken) na afloop van de contractperiode van vier jaar niet meer mag rekenen op een prettig wachtgeld. Hij steeds meer ook zij, 40% van de bijna 2000 promotieonderzoekers is vrouw is meteen werkloos en moet een baan zoeken. Zelfs als het proefschrift dan al grotendeels af is, wordt het dan toch moeilijk het nog te voltooien. Niettemin ligt het aantal promoties al enkele jaren op ongeveer 2500 per jaar, bijna drie keer zoveel als toen ik twintig jaar geleden promoveerde.

De positie van de promovendus is beter geregeld en zeker buitenlanders vinden de Nederlandse situatie betaald onderzoek doen, gratis onderwijs krijgen in een onderzoekschool, deel uitmaken van een team erg aantrekkelijk. Uit onderzoek blijkt ook dat de tevredenheid met de begeleiding behoorlijk hoog is en dat men zich tegelijkertijd toch ook behoorlijk vrij en zelfstandig voelt. Zeer gelukkig is men bovendien met de mogelijkheid om buitenlandse congressen te bezoeken en eventueel een eigen paper te kunnen presenteren. Lelieveldt besteedt daar terecht ook veel aandacht aan, al had hij bij de vele goede en handige tips die hij geeft, ook wel mogen vermelden dat het belangrijk is om al in een vroeg stadium te beginnen met schrijven. Ik heb wel promotieplannen gezien waarin het schrijven tot de laatste drie maanden werd uitgesteld. Dat gaat geheid fout.

Wetenschappelijk werk is steeds meer gewoon werk geworden. Toch blijft het bijzonder, omdat het niet gedaan, maar gemaakt moet worden en de uitkomst onzeker blijft. Een zekere eenzaamheid hoort erbij, aldus Lelieveldt, en de kans om vast te lopen, gedemoraliseerd te raken en aldoor maar niets op papier te kunnen krijgen. Hij geeft behoorlijk wat tips om van de lege agenda geen dag in ledigheid te maken, maar hij is reëel genoeg om te beseffen dat niet iedereen de eindstreep zal halen. Uiteindelijk valt het aantal mislukte promotietrajecten nog wel mee, maar iedere promotiebegeleider weet uit ervaring dat hoe langer het duurt, hoe kleiner de kans op succes wordt. Meestal verwijt je jezelf dan achteraf veel te laat een streep getrokken te hebben. `Buitenpromovendi' hebben vaak toch te weinig tijd naast hun werk beschikbaar en soms ook te weinig wetenschappelijke bagage (de opleidingen waren vroeger echt niet beter). De meestal nog zeer jonge aio's en oio's zijn behalve met een proefschrift vaak ook nog druk bezig een partner te vinden. Als er dan ook nog een kind komt, wordt het allemaal wel erg moeilijk.

Toch, als het boekje van Herman Lelieveldt iets laat zien, is het wel dat een promotie geen exotische gebeurtenis meer is en een proefschrift geen levenswerk. In vrij korte tijd heeft zich in Nederland na de reguliere academische opleiding (de eerste fase) een behoorlijk goed georganiseerde en uiteindelijk toch ook zeer productieve tweede fase gevestigd. Dertig jaar geleden leek de promotie al bijna een anachronisme, nu is zelfs het ritueel weer volledig in ere hersteld. Toen ik in Rotterdam promoveerde, was een net donker pak al een hele stap. De Rotterdamse hoogleraren droegen toen een soort boerenkielen met daaronder meestal een minder net pak. Inmiddels is overal het rokkostuum en de toga in ere hersteld. In Duitsland is dat allemaal verdwenen en ik merk iedere keer als we Duitse collega's in de promotiecommissie hebben, hoe jammer ze dat inmiddels vinden. Mensen houden van rituelen. Een mooie laatste stelling.

Herman Lelieveldt - Promoveren. Een wegwijzer voor de beginnend wetenschapper - Amsterdam, Aksant, 109 blz., €15