Apekool

Nieuwe berekeningen stellen de hoeveelheid koolstof die Amerikaanse bossen kunnen vastleggen flink naar beneden bij. De uitstoot van de VS wordt niet meer gecompenseerd.

Eergisteren maakte president Bush het nieuwe Amerikaanse broeikasbeleid bekend. Het streven gaat, volgens een snelle analyse van Greenpeace, niet verder dan in 2012 ongeveer 0,1 gigaton (miljard ton) koolstof minder uit te stoten dan tegen die tijd zonder maatregelen zouden zijn uitgestoten. Onduidelijk is of het getal alleen geldt voor CO2 of voor alle broeikasgassen samen.

Eind december 1997 had de regering Clinton in Kyoto nog ingestemd met een reductie in de uitstoot van broeikasgassen van 7 procent ten opzichte van het niveau van 1990. Die moest in de `budgetperiode' 2008-2012 bereikt worden en gold het totaal van de gassen kooldioxide, methaan, lachgas en enkele fluorverbindingen. CO2 is daarvan verreweg de belangrijkste. De Amerikaanse senaat weigerde te ratificeren en president Bush heeft het Kyoto Protocol vorig jaar als `fatally flawed' afgezworen.

De huidige CO2-uitstoot van de VS (in 1990 nog 1,35 gigaton koolstof) komt al in de buurt van 1,6 gigaton koolstof per jaar, dat is een kwart van de mondiale CO2-emissie. De regering Bush kan deze waarde nog met een procent of twintig minstens laten groeien.

Verderop in de wereld krijgt men steeds betere argumenten in handen om daartegen bezwaar te maken. Er komt steeds meer eenstemmigheid tussen computermodellen over de vraag in welke mate de CO2-opname door Amerikaanse bossen en braakliggende landbouwgronden compenseert voor de industriële uitstoot van het gas. Volgens de laatste inzichten wordt maar een kwart van de Amerikaanse uitstoot ook weer in de VS opgenomen.

Op 16 oktober 1998 verscheen in Science een artikel met Songmiao Fan (van Princeton University) als eerste auteur waaruit makkelijk de conclusie kon worden getrokken dat dankzij bosbijgroei en verruiging van braakliggende akkers jaarlijks in Noord-Amerika wel zo'n 1,7 gigaton koolstof werd vastgelegd, vooral ten zuiden van 51 graden noorderbreedte. Dat betekende dat het leven en werken in de VS nagenoeg CO2-neutraal uitpakte. Een schril contrast met dat van Europa waar de natuur nog geen 0,1 gigaton opnam.

West-oostverschillen

Fan gebruikte voor zijn, later veel geciteerde, onderzoek de techniek van `inverse modelling'. Daarbij analyseert men de minieme verschillen die onderzoekstations, verspreid over de aarde, in de CO2-concentratie van de lucht waarnemen. De CO2-concentratie is op het noordelijk halfrond, waar de meeste industrie staat, altijd wat hoger dan op het zuidelijk halfrond. En er zijn ook west-oost verschillen. Met behulp van allerlei atmosferische transportmodellen, die worden `gevoed' met de goed bekende gegevens over industriële CO2-uitstoot, valt bij benadering te achterhalen waar op aarde kennelijk veel CO2 wordt opgenomen.

Nog geen jaar later, op 23 juli 1999, publiceerde Science een artikel van Richard Houghton c.s. waarin werd vastgesteld dat `de natuur' in de VS in de jaren tachtig waarschijnlijk maar voor 10 tot 30 procent had gecompenseerd voor de CO2-uitstoot van Amerikaanse fabrieken, auto's en kachels. Houghtons conclusie was gebaseerd op een analyse van bosbouwkundige en agrarische statistiek. Hij had berekend hoeveel bos was bijgegroeid, hoeveel akkerland in grasland was omgezet, enzovoort.

Koolstofafvoer

Hougtons conclusie was niet alleen politiek gevoelig, het enorme verschil met het werk van Fan was wetenschappelijk zeer onbevredigend. Op 22 juni 2001 bracht Science een artikel van Steve Pacala, met Houghton èn Fan als coauteurs, dat probeerde de kloof te dichten. De schatting van Fan werd wat verlaagd: rekening houdend met de precieze grenzen van de VS (zonder Alaska) moest de Amerikaanse C-opname eerder 0,81 gigaton zijn. En Houghton had wat posten over het hoofd gezien: rivieren brachten veel koolstof naar zee en ook de landbouwexport voerde veel Amerikaans koolstof af. Ruwweg werden Houghtons eerdere schattingen verdubbeld tot een gemiddelde van ongeveer 0,54. En passant liet het artikel zien dat de meeste andere inverse modellen de jaarlijkse C-opname van de VS op ongeveer 0,65 gigaton schatten.

Vorige week (7 februari) bracht Nature een nieuw vergelijk tussen meerdere inverse modellen. Fans aanvankelijke schatting voor Noord-Amerika (beneden de poolcirkel) wordt definitief als 40 procent te hoog beschouwd. Dat betekent dat de C-opname van de VS nu op ongeveer 0,5 gigaton is te stellen. Omdat de koolstof uit geëxporteerde landbouwproducten vroeg of laat elders vrijkomt lijkt de rechtvaardige conclusie dat maar een kwart van de Amerikaanse CO2-uitstoot in de VS wordt vastgelegd. Pikant is dat Europa en Azië volgens de laatste inzichten elk ongeveer evenveel koolstof vastleggen als de VS.