Anarchie in het paradijs

Tien jaar lang werd Atjeh geteisterd door het Indonesische leger. De rol van boeman is intussen overgenomen door de GAM, de Beweging Vrij Atjeh. Deze aanvankelijk politiek bevlogen rebellen zijn vervallen in banditisme en terreur. 'Iedereen moet betalen.'

Nasir had me gewaarschuwd: ,,De politie bedelt elke dag, het leger alleen op feestdagen.'' Langs de Trans Sumatra, de belangrijkste verkeersader van Atjeh, wemelt het van de wegversperringen. Chauffeurs moeten het portierraampje opendraaien en langzaam slalommen langs de zigzag geplaatste barricades, terwijl ze wantrouwig worden opgenomen vanuit mitrailleursnesten. De politie en het garnizoen van Atjeh hebben versterking gekregen uit Java. Die hulptroepen dragen een keur aan emblemen op borstzak en schouders: Mobiele Brigade (Brimob), Strategische Reserve (Kostrad) en Corps Speciale Troepen (Kopassus).

Nasir krijgt gelijk. De militairen blijven meestal achter hun zandzakken. De Brimob-agenten staan langs de weg, de M16 aan de schouder, en houden vrachtwagens en bussen aan. Als zij, grijnzend, een paar stappen terug doen, is er weer een chauffeur getild. De oude Toyota met de Europeaan aan het stuur mag doorrijden, al maken agenten vaak, bijna smekend, een rookgebaar.

Vier dagen reizen we door een provincie in oorlog, van de hoofdstad Banda Aceh via de Straat van Malakka naar de bergen van Centraal-Atjeh, en terug. Reisgenoten zijn Tjut en Nasir, twee jonge Atjeese ingenieurs, en Sri, directiesecretaresse en Sumatraanse van Javaanse afkomst. Zij maken me wegwijs in niemandsland Atjeh.

Na de koele heuvels die Groot-Atjeh, het gebied rond de hoofdstad, scheiden van het regentschap Pidie, dalen we af naar de hete vlakte. Sigli, de belangrijkste stad van Pidie, ligt aan de Straat van Malakka, en hier brengt de zeewind bij vlagen wat verkoeling. Ter hoogte van de Grote Moskee raken we beklemd in een verkeersopstopping. Half Sigli is op de been om de pelgrims uit te zwaaien die de reis naar Mekka aanvaarden. Voor de moskee staat een rij touringcars gereed om de in het wit gehulde schare naar het vliegveld van Banda Aceh te brengen.

De weg langs de Straat van Malakka biedt fabelachtig mooie vergezichten. Grote doeken met veel diepte, de groene zee van sawa's op de voorgrond en het ruige silhouet van de bergen in de verte. Dit oogstrelende panorama vat de twee werelden van Atjeh samen. Hier de vlakte met natte rijstbouw, de schaarse sawagrond en de strenge geboden van adat (traditie) en islam. Daar de bergen, uitwijkplaats voor landlozen en marginalen, voor jongemannen die de adat als een last ervaren en die dromen van de oude tijd, toen Atjeese helden de strijd aanbonden met de Hollandse marsosé.

Dit is de bakermat van de Beweging Vrij Atjeh (GAM), die de provincie sinds 1976 onveilig maakt en de afgelopen jaren zelfs bijna helemaal overnam. De GAM is opgericht door families uit Pidie die een voorname rol hebben gespeeld in de Atjeh Oorlog tegen de Hollanders (1873-1912). De GAM beweert dat ze die oorlog voortzet, zij het nu tegen `de Javanen'. De historische continuïteit is aanvechtbaar, maar die verwijzing naar het verleden viel in 1976, toen de GAM werd opgericht, te verdedigen. Atjeh werd immers ernstig tekortgedaan door de machthebbers in Jakarta.

De beweging wierf aanhangers dankzij armoede en ongelijkheid. Nasir: ,,Hier in de kustvlakte heeft maar 40 procent van de bevolking sawagrond. De rijken hebben wel drie hectare. Wie geen sawa heeft neemt die van anderen in deelpacht. Van de opbrengst is tweederde voor de boer en eenderde voor de eigenaar. De gebruiker doet de investeringen en betaalt de eigenaar, of hij nu wel of niet kan oogsten. Mislukt de rijstoogst, dan moet de boer geld lenen en terugbetalen uit de volgende oogst. Dit patroon van grondbezit en deze landschaarste zijn in dit deel van Atjeh de wortel van alle kwaad.''

Toen in 1971 elders in de kustvlakte, bij Arun in Noord-Atjeh, een groot aardgasveld werd aangeboord, werden de verschillen alleen maar groter. Rondom het aardgas ontstond een industriële enclave, met alle onevenwichtigheden van dien. De meeste technici komen van Java of uit het buitenland. Zij wonen in luxe getto's met een eigen elektriciteit- en drinkwatervoorziening, scholen en een sportcomplex. Alleen hun onkostenvergoeding is al hoger dan het inkomen van de omwonende Atjeese boeren. Toen gouverneur Ibrahim Hasan in de jaren tachtig die kloof probeerde te dichten met een ambitieus ontwikkelingsprogramma, bleef naar schatting 30 procent van de door hem in Jakarta losgeweekte fondsen achter in Atjeese overheidsburelen.

Dit alles voedt een vorm van banditisme. De bergen bieden een kans te ontsnappen aan de strenge regels `beneden'. In noodsituaties is immers alles halal, geoorloofd in religieuze zin. En wat de boerenzoon niet krijgt krachtens de adat, neemt hij krachtens het oorlogsrecht.

Dit banditisme was aanvankelijk politiek bevlogen. Het ageerde tegen achterstelling van Atjeh en voor een onafhankelijke staat. President Soeharto vond dit onduldbaar en in de laatste jaren van zijn bewind had het leger vrij spel bij het neerslaan van de GAM-revolte. Van 1989 tot 1998 was Atjeh militair operatieterrein, in het Indonesisch afgekort tot `DOM'. Het leger ging zo hard tekeer tegen de burgerbevolking, die het ervan verdacht te heulen met de GAM, dat nog maar weinig Atjeeërs zich konden voorstellen dat hun ouders na de oorlog hadden gekozen voor aansluiting bij Indonesië. Tegenwoordig erkent `Jakarta' DOM-slachtoffers – weduwen, wezen en verminkten – als een groep die hulp verdient.

In 1998, toen Soeharto aftrad en zijn opvolger Habibie de gevechtstroepen uit de provincie terugtrok, wist Jakarta niet goed raad met Atjeh. De GAM maakte daar dankbaar gebruik van door de Atjeeërs gouden bergen te beloven als ze eenmaal `vrij' zouden zijn. Begin 2001 stonden 3.500 van de 5.000 dorpshoofden in Atjeh onder controle of invloed van de GAM. Die nam niet alleen het plaatselijk bestuur, maar ook de belastingheffing en de rechtspraak over. Districtshoofden, officieren van justitie en rechters werden met de dood bedreigd en namen de benen. Iedereen, van kleine boer tot koffiehandelaar, van lage ambtenaar tot diensthoofd, van winkelier tot industrieel, moest schatting betalen aan de GAM. Burgers die door het wijdvertakte netwerk van GAM-informanten werden beticht van contacten met leger en politie werden vroeg of laat met doorgesneden keel in een ravijn gevonden.

Belasting

Ulee Gle is de hoofdplaats van Bandar Dua, het oostelijkste district van Pidie. We strijken neer in een oer-Atjees kedai kopi (koffiehuis). Nasir schuift aan bij twee mannen die hem in rad Atjees te woord staan. Het laatste nieuws: de marktkooplui van Ulee Gle zijn `aangeschreven' door de GAM. Zij moeten elk 10 miljoen roepia (1.500 euro) betalen. Verder is Amat Sulaiman, bijgenaamd `Kebay' (de onkwetsbare), een onderbevelhebber van de GAM in Bandar Dua, zojuist opgepakt door het leger. Volgens streekbewoners heeft Kebay in de heuvels, aan de voet van de bergen, een marihuanaplantage.

Het nieuws tekent de toestand. Het GAM-leger staat onder druk, maar blijft op zijn beurt druk uitoefenen op de bevolking. Draagt ook de uitbater van dit koffiehuis geld af aan de GAM? Nasir: ,,Zeker, maar dat zal hij nooit toegeven. Als de militairen horen dat hij betaalt, wordt hij opgepakt, want dat is strafbaar. Dan moet hij opnieuw schuiven om vrij te komen.''

De GAM heft 8 tot 12 procent over de inkomens van boeren en winkeliers en 25 tot 50 procent van overheidsprojecten. Informanten in overheidskantoren geven de contractbedragen door aan de GAM. Particulieren en ambtenaren krijgen hun `aanslag' per brief, bezorgd door betaalde motorkoeriers. Wie niet meteen betaalt, krijgt bezoek. Nasir: ,,Iedereen betaalt, zelfs de gouverneur, als die buiten de hoofdstad een onderneming heeft – en die heeft hij natuurlijk. Wie niet wenst te betalen, verhuist naar Medan of Jakarta.'' Atjeh verkeert in een bestuurlijke schemertoestand, waarin niemand de macht uitoefent, niets is wat het lijkt en niemand de waarheid spreekt.

De GAM-leiding zegt inspiratie te putten uit verhalen over de Atjeh-oorlog en over de gouden, zeventiende eeuw, toen Atjeh onder sultan Iskandar Muda een maritieme mogendheid was. Deze inspiratiebron is intussen verworden tot een alibi voor machtswellust en zelfverrijking. Het gaat plaatselijke krijgsheren van de GAM niet meer om onafhankelijkheid voor Atjeh, maar alleen nog om vrijheid van rechtsvervolging voor henzelf.

In het koffiehuis lummelt een jongetje van een jaar of acht rond. Tjut weet dat zijn vader is vermoord door het leger. Een DOM-slachtoffer, kortom. Tjut weet ook dat hij van de GAM een walkie-talkie heeft gekregen, koeriersdiensten verricht en informatie doorgeeft. ,,Voor jongens van zijn leeftijd is het een spannend spel en is de GAM nog steeds heldhaftig'', zegt Sri. ,,Dat die club nu ook kinderen werft, bewijst dat hij de gunst van de volwassenen kwijtraakt.''

De markt van Ulee Gle is splinternieuw en deels nog in aanbouw. Tjut vertelt waarom: ,,In februari 2000 liep hier een Brimob-patrouille in een hinderlaag van de GAM. Er vielen doden en woedende agenten staken de marktgebouwen in brand.''

De Mobiele Brigade heeft een slechte naam door gebrek aan discipline en professionaliteit. Agenten opereren vaak zonder uniform, ze laten na tijdens patrouilles in stadswijken of kampongs hun automatische wapens te vergrendelen en zijn makkelijk te provoceren door de GAM. Dit speelt de laatste in de kaart, want gezien het diplomatieke isolement zijn burgerslachtoffers GAM's enige kans op buitenlandse sympathie.

De regering-Wahid leunde aanvankelijk sterk op de Brimob, maar kwam daar vorig jaar op terug. Bij een presidentieel decreet van april werd besloten tot hernieuwde inzet van militairen. De politie van Atjeh wordt nu bijgestaan door zeventien bataljons soldaten van verschillende onderdelen. Vooral de Rajawali (Adelaars), goed getrainde eenheden die zijn gespecialiseerd in guerrillabestrijding, worden door de burgerbevolking gunstig beoordeeld. Hun succes valt af te lezen uit het feit dat steeds meer Atjeeërs hun angst voor de GAM opzij zetten, met de militairen samenwerken en bereid zijn inlichtingen te geven. Het militaire vakblad Jane's noemde dit onlangs ,,een niet geringe stap voor een volk dat is getraumatiseerd door tien jaren van repressie en rechtsschendingen tijdens de zogenoemde DOM-periode''.

Uitbarsting

In Bireuen slaan we rechtsaf. We rijden de bergen in, naar Centraal-Atjeh, in de Nederlandse tijd bekend als `de Gayolanden'. Etnische Gayo maken ongeveer de helft uit van de 250.000 inwoners van dit bergachtige regentschap. De Gayo-koffie, een hoogwaardige arabica-variant, is naar hen genoemd. De met 40 procent tweede en economisch succesvolste bevolkingsgroep van Centraal-Atjeh zijn de Javanen, zowel recente transmigranten als nazaten van kolonisten uit de Nederlandse tijd. Voordat in 1997 de crisis uitbrak, toen de koffiecultuur nog bloeide, beproefden ook Atjeeërs van de kust hun geluk in Centraal-Atjeh, meestal als winkeliers.

Sluimerende spanningen binnen de gemengde bevolking van Centraal-Atjeh kwamen tot uitbarsting, toen het GAM-leger in de kustgebieden vorig jaar mei in het nauw werd gebracht door antiguerrillatroepen en zich over logging roads terugtrok in de bossen van Centraal-Atjeh. Daar hield het bloedig huis onder Javaanse koffieboeren. In augustus 2000 werden in Jagung Jeget, een gebied in Centraal-Atjeh, enkele Javanen vermoord. De GAM riep toen Gayo's en Atjeeërs op het gebied te verlaten omdat het `operatieterrein' zou worden in de oorlog tussen GAM en de Republiek.

De autorit omhoog is adembenemend, maar ook beklemmend. De anarchie in Atjeh openbaart zich ook hier: van verantwoord bosbeheer is geen sprake meer. Drie jaar geleden nog dicht beboste hellingen zijn door Atjeeërs uit Bireuen stelselmatig kaalgekapt en beplant met betelpalmen. Tijdens een korte stop wordt de stilte verbroken door het gejank van een motorzaag.

Als we de regentschapsgrens zijn gepasseerd, op ongeveer 1.500 meter hoogte, zien we verlaten huizen langs de weg. Deze kampongs werden bewoond door etnische Atjeeërs. De bewoners zijn kort na de jongste geweldsgolf, uit angst voor represailles van Javanen, naar de kust getrokken en wachten daar op betere tijden.

Sri – haar Javaanse moeder komt uit Centraal-Atjeh – vertelt. ,,Het is vreemd dat de GAM hier tot midden juni vrij spel had. De antiguerrillaoperatie aan de kust begon in mei. Op het hoogtepunt van het geweld, begin juni, waren de militairen hier nog ver in de minderheid bij de GAM-troepen. Zo werd het dorp Buntul aangevallen door honderden rebellen. Het plaatselijke garnizoen, enkele tientallen soldaten, moest zich terugtrekken naar Pondok Baru. Pas op 13 juni kwamen hier Rajawali-troepen en trok de GAM zich terug in het bos.''

Die brandende kwestie – waar bleef het leger? – wordt in Takengon, de hoofdplaats van Centraal-Atjeh, alleen op fluistertoon besproken. Tegenwoordig kan het leger alleen optreden op verzoek van het regentschap. Bestuurssecretaris Ibnu Hadjar Lauttawar, zoals de meeste ambtenaren een Gayo, denkt dat het bestuursapparaat in Takengon wemelt van de lieden die, uit sympathie of uit angst, hand- en spandiensten verrichten voor de GAM. Hoe hij dat weet? In oktober bracht de Commandant Operaties in Atjeh, brigade-generaal Djali Yusuf, per helikopter een bliksembezoek aan Takengon. Omdat de regent elders was, nam de secretaris de honneurs waar en haalde de generaal af. Kort daarop kreeg hij een anoniem telefoontje `uit het bos': ,,Verrader! Jij hebt die vent met die auto, met dat kenteken afgehaald. Jij hoort bij hen!''

Verziekt

Al in januari 2001 begon de GAM nieuw voetvolk te recruteren in Centraal-Atjeh, vooral onder de Gayobevolking. Met beloften, met anti-Javaanse retoriek, maar ook met dwang. In Pondok Baru ontmoeten we Khalid Aman Yul, een Gayoboer die zijn dorp Jamur Atu is ontvlucht. Hij is al in 2000 benaderd door GAM-strijders, die hem veel geld aanboden als hij hun gids wilde zijn in het gebied. Hij weigerde. Op 26 februari 2001 vond Khalid een brief voor zijn deur. Hij moest zich melden bij het naburige GAM-hoofdkwartier in de koffietuinen. Daar kreeg hij te horen dat hij zich bij `de strijd' moest aansluiten, want hij wist te veel om afzijdig te kunnen blijven. Zoniet, dan kwam hij de brug naar het volgende dorp niet levend over. Khalid weigerde opnieuw: ,,Ik zei: als ik me bij jullie aansluit, moet ik vrouw en kinderen onverzorgd achterlaten. Wie geeft hen dan te eten?'' Op 3 maart, om tien uur 's avonds, kwamen er drie GAM-strijders naar Khalids huis. Hij zag hen aankomen en nam met vrouw en kinderen de benen. Zijn huis werd in brand gestoken. Khalid: ,,Die lui van de kust hebben hier alles verziekt.''

Menige Gayo zwichtte voor de druk of liet zich door de haatcampagne van de GAM overtuigen en deed mee aan de terreur tegen Javaanse burgers. Die bereikte een hoogtepunt in juni vorig jaar. Nasir, Tjut en Sri verzamelden in het najaar gedetailleerde gegevens in de drie meest getroffen districten. Zij vonden onomstotelijke bewijzen voor 116 moorden, 22 vermissingen en 14 verminkingen. In werkelijkheid is het aantal slachtoffers veel hoger, weten ze. Het drietal telde 1.301 verbrande huizen en 15 in de as gelegde schoolgebouwen. De meeste dorpen vertonen de schroeiplekken van deze geweldsexplosie.

Een deel van de Javaanse gemeenschap besloot niet lijdzaam af te wachten tot hun kampong zou worden aangevallen. Pondok Kresek, een dorp van 110 Javaanse gezinshoofden, gelegen op een helling met koffiestruiken, had in mei een nieuw dorpshoofd gekozen, Sutrisno, een energieke dertiger. Hij gaf opdracht om primitieve geweren te maken, kreeg munitie van het plaatselijke garnizoen en liet de mannen 's avond om beurten wacht lopen. Op 5 juni 2001, om tien uur 's avonds, kwamen enkele honderden GAM-strijders langs de helling naar beneden. Zij vielen aan met geweren en kapmessen. Vrouwen en kinderen vluchtten naar de koffietuinen en de mannen van het dorp grepen naar de wapens.

Om middernacht trokken de belagers weg; zij hadden twaalf man verloren. In Pondok Kresek waren twintig huizen in vlammen opgegaan en waren vijf doden gevallen, onder wie een hoogbejaarde man en zijn achterkleindochter, nog een zuigeling. De oude man, Marnak, lag in bed toen de aanval begon. Hij was zelf te zwak om zich uit de voeten te maken en gebood zijn kinderen te vluchten. De aanvallers drongen het huis binnen, schoten de man drie kogels door het lichaam en staken zijn huis in brand. De afdruk van Marnaks verkoolde schedel staat nog op de muur.

Niemand is gevlucht uit Pondok Kresek. Van de twintig verbrande huizen zijn er intussen vijftien, met geld van de provincie en eigen mankracht, vervangen door provisorische houten woningen. Sutrisno moet weerzin overwinnen om het verhaal nog eens te doen aan een verslaggever: ,,Dan lees ik straks weer in de krant dat de Javanen in Centraal-Atjeh `milities' hebben gevormd. Ik word daar ziek van.'' Hij wil alleen praten in de post die militairen intussen hebben ingericht aan de rand van het dorp. Hij ziet hen kennelijk als de enige vrienden van Pondok Kresek. Sutrisno is verbitterd en gooit de Atjeeërs, de Gayo en de GAM op een hoop: ,,Zij maken ons uit voor kolonialen, terwijl we met hard werken ons geld verdienen. Wij willen met iedereen in vrede leven, maar worden afgemaakt. Hoe durven ze te beweren dat wij hier niet thuis horen?'' Hij wijst naar het kleine kerkhof op de helling: ,,Daar liggen vier generaties. Mijn overgrootvader kwam hier in 1936. De GAM is pas opgericht in 1976.''

Op de terugweg naar Banda Atjeh wonen we in Blang Kuta, een kampong even buiten Ulee Gle, de bruiloft bij van Khalid, de zoon van het mukim-hoofd. De mukim, een traditionele bestuurslaag van vijf tot tien dorpen, functioneert nog, maar staat onder zware druk van de GAM. Een van de bruiloftsgasten, Anwar, is gevlucht uit Centraal-Atjeh. Zijn huis en winkel ginds zijn in brand gestoken, kennelijk een vergeldingsactie. Wie heeft het gedaan? Anwar, een Atjeeër: ,,Javaanse milities, die onder één hoedje spelen met het leger.'' De GAM is in het defensief, maar denkt te overleven door in Atjeh het zaad van de etnische haat te zaaien.