Waterwerken worden meesterwerken

Frank Westerman is vooral geboeid door de meelopers uit de Stalintijd, meer dan door de gestaalde kaders of de dissidenten. Hij ging de gangen na van schrijvers als de in Nederland zo opmerkelijk geliefde Konstantin Paustovski.

Nederland houdt van Konstantin Paustovski. Bijna kritiekloos. Russen kunnen dat nooit helemaal begrijpen, die liefde voor een windvaan die precies wist hoe ver hij kon gaan, en nooit een onvertogen woord op papier zette. Die productieromans schreef toen dat nodig was, en zijn eerste kritische geluiden pas tijdens Brezjnev liet horen, toen het persoonlijk risico niet zo heel groot meer was. Die uit zijn Herinneringen zorgvuldig alles wegliet wat aanstoot kon geven. Wat moet een mens daar tegenwoordig nog mee?

Een boek over deze schrijver door een Nederlander leek echter een kwestie van tijd. Maar gelukkig, na enige bladzijden lezen in Frank Westermans Ingenieurs van de ziel waarin Paustovski een hoofdrol speelt, is het al duidelijk: het boek behandelt deze schrijver in een zeer breed perspectief en het is allerminst kritiekloos.

Ingenieurs van de ziel vertelt over de lotgevallen van een aantal sovjetschrijvers uit de jaren dertig, vermengd met reisreportages van de auteur zelf, die de plaatsen bezoekt waarover zij in hun werken hebben geschreven en hun biografieën napluist. Hij interesseert zich niet in de eerste plaats voor die schrijvers die echte communisten waren, zoals Sjolochov, ook niet voor degenen die in staat waren onverstoorbaar hun eigen weg te gaan, zoals Charms of Boelgakov, maar voor de categorie die zich probeerde aan te passen. Paustovski is daarvan de bekendste vertegenwoordiger, maar ook Gorki, Pilnjak en Platonov komen aan bod. Geen gestaalde partijgangers, maar meelopers tegen wil en dank.

De partij deed haar uiterste best om deze coryfeeën op het goede spoor te houden. In de jaren dertig werden er voor hen regelmatig excursies georganiseerd naar de Grote Werken van het socialisme. Het bouwen van stuwdammen, hoogovens of het graven van kanalen. De bedoeling was dat deze de schrijvers zouden inspireren tot meesterwerken vol van socialistische wedijver. Vooral de aanleg van kanalen deed het goed, zo goed dat Westerman spreekt van een `waterbouwbibliotheek'. Het meest ambitieuze project op dat gebied was het Belomorkanaal, een kanaal dat Leningrad moest verbinden met de Witte Zee. Het is net als alle andere grote werken voornamelijk door dwangarbeiders gegraven, die er bij bosjes stierven. Onder Gorki's leiding is door een grote groep schrijvers een lijvige bundel samengesteld die één groot loflied is op de socialistische arbeid.

Rotganzen

Ook Paustovski met zijn roman Kara Boegaz over de ontginning van de gelijknamige baai van de Kaspische zee en Pilnjak met zijn De Wolga stroomt uit in de Kaspische zee zongen lustig mee in het koor van waterbouwkundig enthousiasme. Hoewel de uitkomst van een dergelijk onderzoek naar het lot van schrijvers en de door hen ooit verheerlijkte projecten in grote lijnen iedereen wel bekend is – de schrijvers vermoord, hun werken verboden en de grote waterbouwwerken in verval – heeft Westerman bij zijn naspeuringen zoveel nieuwe en onbekende feiten weten op te diepen dat het lezen van zijn boek geen moment verveelt.

Die feiten bestrijken een breed terrein. Verrassend zijn bijvoorbeeld de rotganzen. Deze ganzensoort die de zomer in Noord-Rusland doorbrengt en in Nederland overwintert, werd in de jaren dertig om tot dusver onopgehelderde redenen opeens zeer zeldzaam. De verklaring is even eenvoudig als ontstellend. In de jaren dertig werd in Noord-Rusland het Belomorkanaal gebouwd en bevonden zich in het gebied honderdduizenden dwangarbeiders die te weinig te eten kregen. Zij hielden zich in leven met het vangen van de ganzen die in de ruiperiode enige weken nauwelijks kunnen vliegen. Later, toen de kampen verdwenen waren, herstelde de stand zich weer.

Met de rotganzen is het dus weer goed gekomen. Dat kan niet gezegd worden van de prestigieuze Belomorkanaalbundel onder redactie van Gorki, die het vlaggenschip van de nieuwe sovjetliteratuur had moeten worden. Van dit boek dat in 1934 met veel fanfare is gelanceerd in een geïllustreerde luxe uitgave, is in 1937, een jaar na Gorki's dood, bijna de totale oplage vernietigd. In het boek werd namelijk uitgebreid ingaan op de verdiensten van Jagoda, het toenmalige hoofd van de geheime dienst. En Jagoda kwam in 1937 ten val en werd ter dood veroordeeld. Slechts enkele exemplaren in particulier bezit hebben het overleefd.

Het Belomorkanaal vormt de ouverture voor Westermans naspeuringen naar de wederwaardigheden van Paustovski in de Stalinperiode. Paustovski is beroemd door het Verhaal van mijn leven, zijn herinneringen. Herinneringen hebben de pretentie op waarheid te berusten en dat is bij Paustovski ook zeker het geval, maar het is niet de gehele waarheid, zoals Westerman overtuigend aantoont. Zo krijgen we van hem het verhaal over de film naar Kara Boegaz.

Paustovski was met dit boek in het begin van de jaren dertig plotseling beroemd geworden, zo beroemd dat er een film naar is gemaakt die echter nooit is uitgebracht. Niet vanwege de inhoud, want het is een sovjetfilm pur sang, waarin de woestijn van Turkmenistan door de technische kennis en het enthousiasme van sovjetingenieurs tot een vruchtbare oase wordt omgetoverd, met als treffendste scène het in gebruik nemen van een waterontziltingsmachine die van het pekelwater van de baai zoet water maakt, iets wat in die jaren overigens volstrekt onmogelijk was. Maar waarom is de rolprent toch niet uitgebracht? Het bleek dat de film nog voordat de eindmontage geheel klaar was, aan de Franse communist Henri Barbusse was vertoond, die er een enthousiast artikel over schreef. Dit kwam Stalin ter ore, die diep beledigd was dat hij niet de eerste was geweest die de film mocht zien. De verantwoordelijke minister wist de zaak met hele en halve leugens te sussen, maar achtte het verstandiger de film niet in roulatie te brengen.

Fabriek

Ook het verhaal over Paustovski's biografie van maarschalk Blücher moeten we van Westerman vernemen. Het was een eervolle royaal betaalde opdracht. Maar helaas, in 1938, een half jaar na verschijnen van het werk, werd Blücher gearresteerd en ter dood veroordeeld en moesten alle exemplaren van het boek opgespoord en vernietigd worden. Paustovski was zo verstandig enige tijd van het toneel te verdwijnen en zich in een huisje in het bos terug te trekken. Hij kwam ook dit keer met de schrik vrij.

Westerman reist ook naar de Kaspische Zee om te zien wat er van de grootse plannen met Kara Boegaz, waar een gigantische chemische fabriek was gepland, is terechtgekomen. De woestijn blijkt te hebben gezegevierd. Behalve een Vlaamse firma die er op piepkleine kreeftjes vist, een geliefd voer voor aquariumvissen, is er geen enkele bedrijvigheid. Water moet per tankwagen worden aangevoerd. Geen van de schitterende plannen heeft iets opgeleverd. De winning van het speciale zout van Kara Boegaz is maar kort een succes geweest, na enkele jaren verslechterde door natuurlijke omstandigheden de kwaliteit. De ingenieur die de leiding had werd wegens sabotage gearresteerd en terechtgesteld waarna de productie geheel instortte. In de jaren tachtig hebben de Sovjets Kara Boegaz zelfs met een dam afgesloten en veranderde de baai in een zoutwoestijn. De ecologische ramp die dreigde is juist op tijd afgewend, in 1992, toen Turkmenistan onafhankelijk werd en Niazov, de Vader der Turkmenen, persoonlijk de dam weer liet doorsteken.

Het is allemaal typisch sovjet, eerst de roes dat de mens de natuur ongestraft naar zijn hand kan zetten en vervolgens de kater in de vorm van een ecologische ramp. Westerman verbindt er een theorie aan, ontleend aan een Duitse geleerde, dat grote waterbouwkundige werken slechts in een totalitaire samenleving tot stand kunnen worden gebracht. En anderzijds dat totalitaire staten een grote drang hebben tot zulke projecten. Een theorie waar wel wat tegenin te brengen is. Hoe zit het dan met Nederland? Of is de Oosterscheldedam niet groot genoeg? En met nazi-Duitsland, dat juist weinig geïnteresseerd leek in waterbouw?

Maar terug naar Paustovski. Ook de oorlog heeft zijn enthousiasme voor waterbouw niet aangetast, getuige zijn lofzang op de bouwers van het Wolga-Don kanaal en op de grote stuurman Stalin, een opdracht die de kleinbehuisde schrijver een aardig appartement in een Stalin-suikertaart opleverde. Het beeld van Paustovski dat je uit dit boek krijgt is weliswaar niet bijzonder heldhaftig, maar toch gek genoeg niet onsympathiek. Ik kreeg eigenlijk wel bewondering voor de manier waarop hij zichzelf en zijn gezin ongeschonden door de Stalintijd heeft geloodst zonder vuile handen te maken. (De Blücherbiografie en dat loflied op het kanaal zijn op de sovjetschaal van het kwaad te verwaarlozen smetten).

Megalomaan

Paustovski was iemand die de voorkeur gaf aan het compromis boven de directe confrontatie, die openlijke conflicten het liefst uit de weg ging. Ongebruikelijk voor een Rus, maar zeer Hollands. Wellicht verklaart dit zijn populariteit hier te lande. Paustovski lijkt de verpersoonlijking van een Russisch poldermodel, wiens compromissen op literair gebied overigens alleen mogelijk waren omdat hij geen echt groot schrijver was, maar een getalenteerd broodschrijver. Westerman heeft zijn boek als motto een citaat meegegeven van Paustovski's collega Andrej Platonov, een veel groter schrijver, die heel wat meer aanpassingsproblemen had en wiens lot dan ook een stuk tragischer was.

Ingenieurs van de ziel is met dat al een unieke en zeer geslaagde poging om literatuurgeschiedenis en investigative journalism te verenigen. Het geeft een levendig en onthullend beeld van een van de minst geliefde perioden uit de Russische literatuur. Een must voor liefhebbers van Paustovski, de Russische literatuur en megalomane waterbouwprojecten.

Frank Westerman: Ingenieurs van de ziel. Atlas. 288 blz. € 18,90