Toch nog Europees kampioen

De Nederlandse universiteiten waren vóór alles onderwijsinstellingen. De studenten kregen er een voortgezette klassieke vorming en leerden veel uit het hoofd. Pas laat voltrok zich een empirische wending.

Tot de hardnekkige misverstanden over de universiteit behoort het idee dat wetenschap altijd al een van haar kerntaken was. `Een universiteit leidt studenten op tot het zelfstandig kunnen beoefenen van wetenschap en dat is altijd zo geweest', hoorde ik laatst iemand op een lokale televisiezender beweren. Niets is minder waar, maar het is een argument dat het goed lijkt te doen tegen het bachelors- en mastersexamen. Want een driejarige algemeen vormende bachelorsopleiding, gevolgd door een eenjarige studie tot het mastersexamen kan natuurlijk nooit het wetenschappelijke niveau halen van de ouderwetse universitaire studie. De nieuwe structuur leidt dus tot verwatering van de universiteit, klinkt het dan als een soort bezweringsformule. Dat de tienduizenden universitaire studenten lang niet allemaal wetenschappelijke belangstelling hebben, lijkt in deze discussie geen rol te spelen.

Maar sinds wanneer verzorgen universiteiten eigenlijk wetenschappelijke opleidingen? In de tijd dat de Noord-Nederlandse universiteiten ontstonden, aan het eind van de zestiende en in de zeventiende eeuw, waren zij vóór alles onderwijsinstellingen. De voertaal was Latijn en studenten ontvingen er een voortgezette klassieke vorming. Zij leerden veel uit het hoofd en werden geoefend in welsprekendheid. Voor velen was dat het hoofddoel. Slechts weinigen hadden de afsluitende promotie nodig om zich te kunnen vestigen als advocaat of geneesheer. Wetenschappelijke eisen werden daaraan niet gesteld. De stellingen waarop zij promoveerden hoefden zelfs niet origineel te zijn. Het ging erom dat zij de finesses ervan begrepen en ze in welsprekende vorm in het openbaar konden verdedigen.

Deze universitaire wereld werd in het begin van de zeventiende eeuw twee keer opgeschrikt, eerst door de kerkstrijd tijdens het Twaalfjarig Bestand en vervolgens door Descartes. Hij reduceerde de mens tot een soort machine en wilde natuurverschijnselen in wiskundige termen verklaren. Uit het eerste deel van Willem Otterspeers tetralogie Groepsportret met dame over de geschiedenis van de Leidse universiteit drong zich een beeld op van een verscheurde academische gemeenschap.

In het vorige week verschenen tweede deel, De vesting van de macht, komen de Leidse gemoederen tot rust, al deden zich van tijd tot tijd wel relletjes en incidenten voor. Het cartesianisme had geïnspireerd tot onderzoek, maar was op veel punten onbevredigend gebleken. De aanpak van Newton voldeed veel beter. Zijn verklaring van natuurverschijnselen uit onderlinge aantrekking en afstoting bleef weliswaar lange tijd iets volkomen onbegrijpelijks en zijn wiskunde ging veel te diep, maar zijn empirisme sprak aan. In navolging van hem gingen geleerden beschrijven en systematiseren wat zij zagen. Dat kon nu zonder de eenheid van godsdienst en wetenschap te doorbreken, want de proefondervindelijke wetenschap bewees alleen maar de schoonheid van Gods schepping. Dat was ook Newtons eigen standpunt geweest: voor hem verschilde natuurfilosofie niet wezenlijk van theologie, omdat kennis der natuur kennis van God was. Niet voor niets kreeg dit deel van Otterspeer het motto: `Description is revelation'.

Boerhaave

Het empirisme joeg de universiteit op kosten. Er waren kabinetten nodig voor fysica en chemie, een sterrenwacht en elke nieuwe systematische indeling van het plantenrijk noopte tot een herinrichting van de hortus botanicus. Daar staat tegenover dat de nieuwe aanpak beroemdheden opleverde, zoals Herman Boerhaave, de eerste onderlegde en overtuigde Newtoniaan op het continent, en in zijn voetspoor Willem Jacob 's-Gravesande en Petrus van Musschenbroek. Vooral Boerhaave werd een begrip in Europa. Hij moet duizenden studenten en patiënten naar Leiden hebben getrokken. Hij stierf als een rijk man, maar had gewerkt als een galeislaaf. 's Zomers stond hij om vier uur op, studeerde en schreef, gaf per week zo'n twintig uur college (wat overigens niet bijzonder was) en ontving patiënten die goed voor zijn diensten betaalden.

Maar bij alle ontdekkingen op het gebied van de anatomie en de fysiologie bleef het in de praktijk bij het stellen van een diagnose wat het al eeuwen was en nog geruime tijd zou blijven: een kwestie van de pols voelen, ruiken of ergens iets rotte, de urine proeven en monsteren, de longen beluisteren en de patiënt goed bekijken. Die moest wel over een ijzeren constitutie beschikken om een behandeling met aderlatingen, het toedienen van kruidenmengsels, braakmiddelen en klisma's te overleven. En Boerhaave's woorden uit 1738 op zijn eigen sterfbed zijn ronduit ontluisterend voor het wetenschappelijk gehalte van de toenmalige geneeskunde. Men moest vasthouden aan het zekere der klassieken, een nuchtere praktijk en onderwijs aan het ziekbed.

Op een heel ander vakgebied vestigde de jurist Gerardt Noodt in 1706 de ogen van heel Europa op de Leidse universiteit door als rector magnificus een krachtig pleidooi voor godsdienstige tolerantie te houden. Professoren als Noodt en Boerhaave konden echter niet verhinderen dat het jaarlijkse aantal inschrijvingen in Leiden daalde van ruim driehonderd aan het begin tot iets meer dan honderd aan het eind van de tweede eeuw. Dat lag niet aan het niveau van de universiteit, want nog in de Encyclopédie van 1756 heette zij `la première de l'Europe'. Maar er kwamen minder Duitsers en vanaf het einde van de zeventiende eeuw liep ook het aantal Nederlandse studenten terug. Aan de ene kant verdween de arme student, aan de andere kant de lagere adel. En wat overbleef beschouwde de studie steeds meer als beroepsvoorbereiding. Hoe langer hoe meer studenten sloegen een propedeuse in de letteren en filosofie (waaronder ook de wis- en natuurkunde vielen) over en begonnen meteen in de hogere faculteiten der theologie, rechten of medicijnen. En vrijwel alle rechtenstudenten en een groot deel van de medici rondden de studie af met een promotie. Veel `wetenschappelijker' werd de studie intussen niet. In het beste geval was het onderwijs erop gericht de student zelfstandig te leren denken en verder ging het om de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en goede smaak.

Otterspeer wisselt chronologische hoofdstukken over de ontwikkeling van de universiteit af met thematische over de wetenschappelijke instellingen en de bibliotheek, het onderwijs, de wetenschappen, de professorenstand en de studenten en het studentenleven. In deze delen is hij op zijn best. Hij toont hoe de professoren steeds meer een naar binnen gekeerde groep werden. Hij beschrijft de kleding en de omgangsvormen van de studenten en hun verhouding tot de burgerij, hij laat zien hoe bijvoorbeeld twee broers Tjassens rondkwamen van vijf gulden per week en soms een mandje levensmiddelen van de familie in Groningen, maar dat de twee Russische jongens Kurakin er in een jaar tijd maar liefst vierduizend gulden doorjoegen. En hij heeft in de verslagen van de academische rechtbank een prachtige bron gevonden voor de uitwassen van het studentenleven. Enkele gevallen van doodslag en een groepsverkrachting worden dan ook breed uitgemeten.

Specialisatie

Maar Otterspeer wil te veel vertellen. Elke professor, elke curator, de academiedrukkers en pedellen en alle anderen die aan de universiteit verbonden waren, worden met tenminste een zin bedacht. Dat levert vermakelijke passages op, zoals over de kruidkundige Adriaan van Royen, die voor smaakvol doorging, waarschijnlijk omdat hij een belangrijk deel van zijn werk in dichtvorm uitbracht. Maar over anderen valt niets te vertellen, omdat zij niets nalieten, soms zelfs geen oratie. Bovendien leidt deze aanpak ertoe dat al te vaak een verhaal twee keer wordt verteld, één keer bij de introductie van de persoon en een volgende keer bij de thematische behandeling van een onderwerp. Bovendien gaat Otterspeer eraan voorbij dat niet iedere lezer Latijn kent of weet wat wordt bedoeld met `mos italicus' of `mos gallicus'.

Het mooi geïllustreerde boek van Hervé Jamin over de Utrechtse universiteit is veel beknopter, maar wel zo overzichtelijk. De titel, Kennis als opdracht, geeft precies aan waar het de universiteit de langste tijd om te doen was: het vergaren en verspreiden van maatschappelijk nuttige kennis. Wat nuttig heette, bleek veranderlijk. Daarin verschilden de Leidse en de Utrechtse universiteit niet. Het belangrijkste onderscheid was dat Utrecht een bolwerk bleef van rechtzinnigheid, terwijl Leiden telkens probeerde evenwicht te bewaren tussen de verschillende filosofische en religieus-politieke stromingen.

Uit Jamins boek blijkt dat ook in de negentiende eeuw studenten de universiteit bezochten als voorbereiding op een beroep. De studie was ook toen erg breed, met een verplicht kandidaatsexamen in de letteren en wijsbegeerte voor theologie- en rechtenstudenten en in de natuurwetenschappen voor geneeskundestudenten. Pas een wetswijziging in 1876 legde de basis voor verdieping en specialisatie. Ongeveer tezelfdertijd ontstond een onderscheid tussen zuiver en toegepast onderzoek en werd het voor een betrekkelijk kleine groep mogelijk carrière te maken in de wetenschap. Maar wat beide boeken vooral duidelijk maken is het vermogen van de universiteit om zich te vernieuwen. Zo wist zij zich telkens weer aan te passen aan veranderende maatschappelijke behoeften. En de klacht over een tekortschietende vooropleiding van studenten blijkt van alle tijden.

Willem Otterspeer: Groepsportret met Dame II. De vesting van de macht. De Leidse universiteit, 1673-1775. Bert Bakker, 455 blz. € 27,50 (geb.)

Hervé Jamin m.m.v. Marijke Huisman: Kennis als opdracht. De Universiteit Utrecht 1636-2001. Matrijs, 224 blz. € 29,95 (geb.)