Kijk, dat is Ank

Met het sterrentoneel verdween ook de traditie van het toneelportret. `Het waren bewonderende portretten, waarin het applaus nog naklonk.'

In de foyers en wandelgangen van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag klonk vorig jaar herhaaldelijk de vraag: ,,Waar zijn de schilderijen?'' De toeschouwers misten de portretten van acteurs, actrices en regisseurs.

De afwezigheid van de schilderijen had zijn reden. Door rook en stof van jaren waren de doeken vervuild en aangetast. Eens glanzende portretten waren zo gaan nadonkeren, dat ze bedekt waren met een grauwsluier. Schilfers goudverf waren van de lijsten gesprongen. Het was dus hoog tijd ze te restaureren. Sommige werken zijn verdoekt, andere voorzien van nieuwe spielatten. Maar sinds enige tijd kunnen de Haagse toeschouwers hun vroegere helden en heldinnen van het toneel weer bewonderen ze zijn als nieuw.

Niet alleen de schouwburg van Den Haag, ook de schouwburgen van Amsterdam, Leiden, Haarlem, Groningen en kleinere theaters bezitten schilderijencollecties die een onvervreemdbaar onderdeel zijn van de foyer. De portretten roepen de toneelkunstenaars terug uit het verleden: ,,Kijk, dat is Ank. Heb jij haar nog zien spelen?''

Toneel heet de vergankelijkste kunstvorm te zijn. Valt het doek, dan leeft de uitvoering slechts verder als herinnering. De portretten houden iets vast van de uitvoeringen van eertijds. Ze tonen de kostumering van de speler, gezichtsuitdrukking en gebaar, ze geven sfeer en soms zelfs interpretatie van een voorstelling prijs.

Het was een goede beslissing van de Haagse schouwburg om de schilderijen voor verdere verkommering te behoeden: evengoed als de voorstellingen maken de portretten deel uit van de Nederlandse toneelgeschiedenis.

Het belang van deze kunst werd aan het eind van de negentiende eeuw ingezien, in 1899, volgens de Amsterdamse Stadsschouwburg toen de directeur van de Toneelschool een vereniging oprichtte tot `uitbreiding der Galerij van Nederlandsche Toneelkunstenaars die in de Stadsschouwburg groot zijn geweest'. De kunstwerken, afkomstig uit het Rijksmuseum, werden door de overheid geschonken. Het beheer van de collectie valt nu onder het Amsterdams Historisch Museum. In Den Haag zijn de schilderijen deels het bezit van het Gemeentearchief en deels van de schouwburg. Andere schilderijen horen tot de collectie van het rijk. De schouwburgen van Haarlem en Groningen zijn zelf eigenaar.

Donderend handgeklap

In het toneelportret versmelten twee artistieke vormen, met al hun stijlontwikkelingen en veranderingen: de theater- en schilderkunst. De vroegste afbeeldingen van acteurs en actrices dateren uit het classicistische tijdperk rond 1800, waarin het strenge renaissancistische toneel van Vondel, Corneille en Racine de boventoon voerde. Voor het eerst werden toneelspelers verheven tot idolen en het was de taak van de schilder om uitdrukking te geven aan die adoratie. De actrice Cornelia Ziesenis-Wattier, ooit door Napoleon geroemd als de `grootste tragédienne van Europa', speelde tussen 1780 en haar dood in 1827 in de Amsterdamse schouwburg, waar alleen al haar verschijning `het sein tot een donderend handgeklap' was. Haar portret hangt in Amsterdam aan een van de rondom de zaal gebogen gangmuren. Een onbekende schilder toont haar, rijk gekostumeerd, in de rol van Agrippina uit Brittanicus van Racine. De actrice troont op een zetel, het licht valt in clair-obscur op haar gespreide linkerarm.

Deze weergave klopt met de toneelveranderingen uit die tijd. Het classicisme maakte een eind aan kermisachtige taferelen in de theaters, de acteur verwierf aanzien en het repertoire kreeg een hoog literair gehalte. Het portret drukt die nieuwe, ernstige stijl van acteren uit. Het is even strak en mathematisch opgebouwd als de tragedie van Racine waarin Ziesenis-Wattier speelde.

De anonieme schilder wist het niet, maar hij schiep een traditie. In de tijd daarna, van de romantische periode tot de jaren vijftig van de vorige eeuw, kozen schilders deze stijl voor hun toneelportretten, met de toneelspeler in een glansrol, gekostumeerd, met een expressieve gelaatsuitdrukking en een theatrale gestiek. Het zijn bewonderende portretten, het applaus klinkt nog na in linnen en olieverf.

Na het classicisme de romantiek, daarna het naturalisme en expressionisme. Schilderstijlen en toneelstijlen gaan gelijk op. De meest karaktervolle theaterkop in de Amsterdamse Stadsschouwburg is die van Louis Bouwmeester sr. als Shylock in Shakespeare's De Koopman van Venetië. Met deze vertolking, tragisch en niet komisch zoals hij tot dan toe werd geïnterpreteerd, kreeg hij grote vermaardheid. Honderden keren speelde hij Shylock, tot in Nederlands-Indië. In 1913 legde de schilder Tassos Loukides Bouwmeester vast als Shylock. Hij kreeg een dramatisch hoofd met opengesperde ogen, een bits-woedende trek om de mond en een baard die opwaait als door een stormvlaag gegrepen. Heel het schilderij drukt beweging uit. Met de rechterhand scheurt hij zijn hemd open, in de linker houdt hij bezwerend een rol perkament omhoog. Van zijn schouders dreigt een schamele mantel te vallen.

Uit het schilderij spreekt de zinderende energie waarmee Bouwmeester geacteerd moet hebben. Bovendien blijkt het van betekenis te zijn voor de toneelhistorie. In tal van programmaboekjes en studies over dit nu zo omstreden toneelstuk van Shakespeare staat het afgebeeld. In één oogopslag zien we waar het in De Koopman om draait, niet om de titelrol Antonio, maar om een tragische oude man die zich vernederd voelt.

Dit schilderij hoort tot het realistische genre. Het ging de kunstenaar om een min of meer getrouwe uitbeelding van dit personage, al mocht hij die wel verhevigen. Het `rollenden oogs en machtigen gebaars' van Bouwmeester, zoals het in zijn levenskroniek wordt beschreven, keert in het portret terug.

Ko van Dijk

De schilder Arie Kater was geboeid door het expressionisme en kubisme. Dat is af te lezen aan het portret uit de jaren vijftig van Ko van Dijk in zijn rol van Danton uit Dantons dood bij de Nederlandse Comedie. Met expressionistische en geometrische elementen geeft Kater het schilderij vorm, of hij de kracht van Van Dijks spel in heftige verfstreken, hoekige vormen en vet aangezette lijnen wilde vangen. Het gelaat is geen gezicht, maar een acteurskop. De gebalde vuisten zijn buitensporig. De schilder is hier geen realist, maar eist zijn artistieke vrijheid op. Hetzelfde geldt voor het portret dat Kees Verwey van acteur en regisseur Albert van Dalsum maakte. De stijl van Verwey, zoals bekend van zijn stillevens, met losse toetsen en vluchtig-lichte lijnen, is duidelijk te herkennen. Hij reduceerde Van Dalsum tot twee meetkundige, compacte vormen: een rond kaal hoofd op een piramidevormig lichaam.

De jaren vijftig en zestig, de glorietijd van zowel de Nederlandse als de Haagse Comedie, vormden de laatste bloei van de acteursportretten. Het was de tijd van het sterrentoneel: men ging voor deze acteur of die actrice naar de schouwburg. Die tijd ging voorbij, niet langer schitterden de acteurs in hun rollen, en evenmin op de portretten. Ze werden nu als `gewoon' mens geschilderd, thuis, bij het raam of in een stoel. De actrices Ank van der Moer (geschilderd door Ronald Terpstra) en Ellen Vogel (door Theo Swagemakers) werden ingetogen vastgelegd, eigenlijk als te keurige vrouwen.

Met de verdwijning van de toneelspeler als uitverkorene van het publiek kwam er een eind aan het acteursportret. In de laatste ronde viel de keuze nog op Willem Nijholt, Anne-Wil Blankers en Kitty Courbois, geen van allen in een rol. Van de jonge generatie werd niemand meer geschilderd: Pierre Bokma, Chris Nietvelt, Catherine ten Bruggencate of Jeroen Willems is die eer nooit toegevallen. Bokma als Macbeth, of Nietvelt in haar vertolking van Lulu zouden toneelhistorisch betekenisvolle portretten opleveren. Maar dan wel in hun rol, gekostumeerd en al. Want alleen zo gaat het portret deel uitmaken van de theatergeschiedenis. De acteur is pas acteur in de schouwburg. Daar horen de portretten thuis.