Ik voel me niet zo jazz

Trompettist en componist Eric Vloeimans wordt woensdag in Amsterdam onderscheiden wegens opmerkelijke verdiensten voor de jazz.

,,Negentig procent van de jazzmuziek vind ik gewoon ontzettend saai en vervelend.''

Eric Vloeimans laat er geen gras over groeien. De handen zijn nog maar net geschud als de trompettist en componist aan het kroegtafeltje begint aan een uitbundige opsomming. Over twee nieuwe cd's die binnenkort van hem verschijnen, over optredens in binnen- en buitenland en over alle mogelijke muzikale samenwerkingsprojecten. Met een Italiaanse pianiste, een Poolse drummer, een Frans-Vietnamese gitarist en een jazzcoryfee uit Finland. Het duizelt al snel, maar de boodschap is niet mis te verstaan: Eric Vloeimans is hot.

Hij besluit de overrompelende, korte kennismaking met een nogal conspiratief klinkende mededeling. ,,Het is misschien een beetje raar, maar ik wil duurder worden, een stuk exclusiever'', zegt Vloeimans. Tijd voor een toelichting is er dan niet. Hij moet spelen.

,,Vanavond ben ik natuurlijk alleen maar een sideman'', zegt hij bijna verontschuldigend als hij zich naar de kleedkamer haast. Maar dat is bescheidenheid. Want de rol die hij deze zondagavond speelt als lid van Pili Pili – het zevenmans orkest van de Nederlandse pianist Jasper van 't Hof waarmee Vloeimans begin dit jaar door Duitsland en Oostenrijk trok – is wel degelijk prominent.

Dat blijkt even later als de 38-jarige Vloeimans – in een opvallende rode broek met zwart ruitmotief – naast twee exotisch geklede Afrikaanse zangeressen zijn plaats op het podium inneemt. Met zijn blinkende trompet gooit hij er meteen een venijnige solo uit. De ongeveer tweehonderdvijftig oudere jongeren – opvallend veel Koos Koetsen met aanhang – die zich in het gehucht Vierbaum hebben verzameld, zijn begeesterd. In de te kleine zaal van Der schwarze Adler – Die Kulturkneipe am Niederrhein – slaan ze als één blok aan het swingen. Vloeimans heeft de ogen stijf dicht, het hoofd loopt rood aan en de spierballen proberen te ontsnappen uit zijn krappe T-shirt.

Bij het volgende onderhoud, twee weken later, rolt Eric Vloeimans bijna van de bank van het lachen in zijn Rotterdamse woonkamer.

Hoe kom je aan die enorme spierballen, luidt de vraag.

,,Spierballen'', giert hij. ,,Hier?'' en kijkt naar zijn armen. ,,Ik zwem. Gemiddeld twee keer per week.'' En Vloeimans borstcrawlt op het bankstel met in één hand een bel cognac. ,,Zou het daarvan komen?''

Jan Klaassen

Vrij achteloos ontlook bij de kleine Eric de liefde voor de muziek. Vloeimans, opgegroeid in Den Bosch, komt uit een niet-muzikaal gezin ,,waar je alles mocht doen, als je het maar afmaakte''. En zo rolde hij op een goede dag van de judomat naar het muzieklokaal. Toen hij als kind zo rond zijn tiende jaar Rob de Nijs op televisie zag bij Stuif-es-in met het nummer `Jan Klaassen de Trompetter' was hij verkocht. ,,Zo'n hele mooie glimmende trompet of trombone, op beide instrumenten was ik helemaal verliefd. Of neem nou trompettist Marty, dat soort gasten daar viel ik toen wel voor. Veel muziek die ik nu als fout zou bestempelen, vond ik destijds leuk.''

Muziek maken was trouwens niet meteen alleen maar pret. Bij tijd en wijlen was `er geen ruk aan'. Maar je maakte, zoals gezegd, nu eenmaal alles af. Dus haalde hij alle diploma's op de muziekschool, zat in het harmonie-orkest, de fanfare, de big band en belandde uiteindelijk na het afronden van zijn havo-studie – en nadat Utrecht hem had afgewezen – op het Rotterdamse conservatorium. Hij volgt er de opleiding klassiek trompet, maar zwicht uiteindelijk voor de verlokkingen van de jazzafdeling.

En voor je het weet, krijg je dan twintig jaar later op een winterse woensdagavond in Amsterdam 12.500 euro en een plastiek van Jan Wolkers wegens ,,opmerkelijke verdiensten op creatief gebied ter verlevendiging van de Nederlandse jazz en geïmproviseerde muziek''. Vloeimans dankt de VPRO/ Boy Edgar Prijs 2001 aan zijn, aldus het juryrapport, ,,subtiel spel, prachtige toon, perfecte timing en inventieve en lyrische composities''.

Een oeuvreprijs, is dat niet een beetje vroeg? Nu is immers alleen nog maar de Nobelprijs een traktatie?

,,Ja, het is wel merkwaardig hè. Ik had wel eens gedroomd over het vooruitzicht zo'n prijs te winnen en nu is het dan zover. Maar ik kan eigenlijk alleen maar denken: goh, wat leuk. Mijn oeuvre is niet zo groot, maar kennelijk goed genoeg voor een prijs. Verder gaat het werk gewoon weer door. En het is prachtig om woensdag te spelen met mensen als gitarist Nguyên Lê, pianist John Taylor, bassist Anders Jormin en accordeonist Stian Carstensen. Collega's van wie ik hou en die ik geweldig vind.''

De prijstoekenners spreken er hun waardering voor uit dat Vloeimans ,,het avontuur niet schuwt''. De royale witte kast met cd's in zijn woning illustreert dat. De bovenste twee planken zijn bijna geheel gevuld met de vijf onder zijn naam uitgebrachte platen en de ongeveer dertig cd's die hij als begeleider van anderen heeft opgenomen.

,,Avontuur? Ik denk dat bedoeld wordt dat ik niet bang ben voor dingen die zouden kunnen gebeuren. Ik laat dingen open. Ik beperk me niet tot een bepaalde stijl en ik ontwijk standaardformules.''

Het spel en de muzikale smaak van de zelfbewuste Vloeimans zijn in de loop der jaren nogal veranderd. De kalverliefde voor Marty, pseudoniem van Riny Schreijenberg, met zijn Gouden Trompet, of bijvoorbeeld het werk van Glenn Miller is bekoeld. ,,Swingmuziek vond ik een tijd lang geweldig, dat maakte grote indruk. Maar tegenwoordig is er toch wel heel wat anders aan de hand. Swing wil ik nooit meer spelen.

,,Er zijn mensen die me vragen: wat is er met je gebeurd? Vroeger was het bij het spelen altijd gaan-als-een-banaan en nu niet meer. Ik zie het meer als uitkristalliseren. Ik hoef niet meer zo nodig alleen maar keihard te spelen om mezelf te bewijzen. Ik wil ook gewoon mooi spelen en zacht, als ik daar zin in heb. Dat zag je bij Wynton Marsalis ook. Dan speel je gewoon rustig een paar noten. Dat heeft met ouder worden te maken. Met rijper worden. Ik heb minder woorden nodig om te zeggen wat ik wil. Er is in mijn spel wat meer zacht bijgekomen.

,,De volgende plaat Brutto Gusto, die dit voorjaar uitkomt, zal live zijn want dan speel ik anders. En ik wil ook een gitaar erbij, eentje die de hele boel afbreekt. Daarvoor heb ik Nguyên Lê gevonden. Met pianist John Taylor, met wie ik de laatste twee cd's heb gemaakt, klinkt het vooral mooi. Composities die atmosferisch zijn, mooi van klanken en akkoorden. Met Nguyên is het daarentegen weer op sommige momenten oerendhard. Ik hou wel van die uitersten in muziek: hard en ranzig; en van bijna kitsch, melodieuze lange lijnen.''

De muziek van Vloeimans is onmiskenbaar jazz, maar zelf heeft hij moeite met die categorisering. ,,Misschien voel ik me ook niet zo jazz. Negentig procent van de jazzmuziek vind ik gewoon ontzettend saai en vervelend. Dan gebeurt er helemaal niets.''

Hij hekelt de `drank en dope-cultuur' die rond de muziek hangt. ,,Er zijn ook veel jazzmusici die zuipen als een ketellapper. Daar hou ik helemaal niet van. Ik speelde een paar jaar geleden in België met Mike del Ferro en daar zat een man voor het podium een hele grote sigaar te roken. We vroegen of die roker ergens anders wilde gaan zitten. En toen schreeuwde iemand uit het publiek: wat is jazz zonder rook? Waarop Mike zei: gezond. Dat vond ik wel wat'', lacht Vloeimans, Overigens is hij vorige maand voor de zoveelste keer zelf gestopt met roken.

,,Ik ben niet populair bij de echt klassieke jazz-scene. Ik was laatst bij een platenzaak in Den Haag en toen zei de eigenaar dat mijn cd's gretig aftrek vinden, maar niet onder de jazzliefhebbers. Mijn kopers bleken allemaal types die hij nooit eerder had gezien in de winkel. Dat vind ik dus te gek, dan gebeurt er iets nieuws. Dan heb ik een markt aangeboord.''

Bordeelsluiper

Halverwege het gesprek springt Vloeimans op van het bankstel waar hij tot dan toe, naar eigen zeggen, `ontzettend nonchalant' op heeft gehangen. ,,Ik zal je even mijn laatste aanwinst laten zien'', zegt hij en duikt in de muurkast tegenover de piano. ,,Heel trots'', en vet lachend, toont hij een vorige maand in Wenen gescoord zwart-wit paar nieuwe schoenen. ,,Die heb ik dan meteen in de peiling om op te treden'', zegt hij, de schoenen liefkozend. Hij demonstreert nog meer incourante modellen. ,,Kijk deze. Als je die fout combineert, ben je echt ranzig'', zegt hij en laat een paar beige bordeelsluipers zien.

Die uitbundige kleding is een ander nadrukkelijk handelsmerk van de Rotterdamse trompettist. ,,Ik houd van extravagante kleren en keiharde kleuren. Dat is voor een jazzmuzikant nogal uitzonderlijk. Zij staan bijna nooit met een lichtgevend gele broek op het podium. Ik ben een van de weinigen die dat doet. Niet omdat ik nadrukkelijk hip wil zijn maar omdat ik me lekker voel in die kleren. Ik vind het bijvoorbeeld niet fijn om zo, zoals ik er nu hier bijzit [een lichtblauwe broek en donkerblauwe coltrui], het podium op te gaan.

,,Ik moest een keer een belangrijk concert spelen in Duitsland. Ik was al in Venlo toen ik merkte dat mijn kleren nog op het knaapje thuis in de gang hingen. Ik droeg gewoon de kleren die ik al de hele week aanhad, een beetje viezig. Dan voel ik me ongelooflijk ongelukkig. Ik heb uiteindelijk gitarist Anton Goudsmit zijn rode jasje afhandig weten te maken.''

Voor Vloeimans is er nauwelijks groter geluk denkbaar dan bijvoorbeeld in Amerika met een vriendin te winkelen en een mooie gekleurde, wijde broek vinden. ,,Ik heb ook een hele tijd iets met leer gehad. Ik heb nu net weer eens een prachtige rode leren broek gekocht, maar er was een tijd dat ik niets anders droeg op het podium dan leer. Het stoort me als ik met musici speel die hun dagelijkse kloffie aanhebben. Het publiek is ook een avondje uit, die willen ook wat. Anders kun je net zo goed een cd opzetten. En dan kun je wel zo'n uitspraak doen als: het gaat toch om de muziek. Ja, dikke lul. De mensen komen toch naar je kijken, dus dan is het niet verkeerd om iets moois aan te trekken. En ik ben natuurlijk wel de trompettist. Dat is nu eenmaal een haantje de voorste. Ik kan mijn solo's moeilijk vanachter het gordijn spelen.''

Het siert Vloeimans ook, meent de jury, dat hij het jazzklimaat in Rotterdam een nieuwe impuls heeft gegeven. Vorig jaar september programmeerde hij de eerste editie van een drukbezocht driedaags Jazz International Festival van Rotterdam. Het evenement zal dit jaar een vervolg krijgen.

Vloeimans, docent aan het Rotterdamse conservatorium, is erg betrokken bij het jazz-klimaat in zijn woonplaats. Vorig jaar werd hij in de Europese culturele hoofdstad zelfs benoemd tot Reus van Rotterdam. Geen geringe verdienste voor een Brabantse jongen van 1 meter 78 en 83 kilo.

,,Ik heb het gevoel dat Rotterdam ontzettend veel potentieel heeft, maar men weet nog niet goed hoe men het eruit moet halen. Ik vind het bijvoorbeeld ontzettend jammer dat er in Rotterdam niet zoals het Amsterdamse Bim-huis is, een vast, exclusief podium voor jazz. Ik snap niet dat het zo moeilijk is om dat te realiseren.''

Met die wens in het achterhoofd is het ook geen toeval dat Vloeimans zijn `burgervader' Ivo Opstelten heeft gevraagd om woensdag in Amsterdam de jazzprijs uit te reiken. ,,Dat is een aardige man. Maar bovendien is het goed een ingang naar de politiek te hebben. Dat kan de jazz weer vooruithelpen.''

Het is Vloeimans ten voeten uit. ,,Ik zit heel veel uren per dag te netwerken. Dan zit ik aan de telefoon of achter de computer. Ik moet nog steeds te veel dingen doen die niets met muziek te maken hebben maar die nodig zijn om mijn muzikale carrière een draai te geven. Mensen zoeken die mij goed laten klinken. Als ik met een superster als John Taylor mag spelen, helpt dat. Als ik één noot speel, legt hij er van alles onder. Iemand anders kan je als een Donald Duck-trompettist laten klinken. Het niveau van de beste wordt altijd bepaald door de slechtste.

,,Netwerken is heel belangrijk. Want je kunt nog zo goed spelen, als ik hier alleen maar op mijn zolderkamer zit te spelen, schiet ik er niets mee op. Ik probeer er alles aan te doen om met de juiste mensen te spelen. Muzikanten die mij een trap onder mijn gat kunnen geven, die mij beter doen spelen, de juiste inspiratie geven. Dat genereert ook publiek, zodat op de plek, waar je voor veertig mensen speelt, de volgende keer tachtig mensen zitten.''

In die zin wordt Vloeimans ook duurder, exclusiever. ,,Ik wil verder komen. Je kunt elke dag voor honderd gulden spelen of jezelf exclusiever maken. Dat heeft te maken met kwaliteitsbesef. Ik speel nu ook met duurdere buitenlandse gasten. Als ik nu nog een tour ga maken met een band voor heel weinig geld dan verlies ik mijn geloofwaardigheid.

,,Het is ook altijd zo dat je altijd gezeik hebt, als je voor een laag bedrag speelt. Je moet veel te lang spelen, vier sets of zo. Dan heb ik gewoon hoofdpijn en dan denk ik toedeledokia, daar heb ik geen zin meer in. En dan begint de eigenaar nog te zeuren als je een consumptie komt vragen. Als je schijt betaald wordt, word je als schijt behandeld. En als je heel goed betaald wordt, dan klopt alles. Dan is er een goede installatie, een goede geluidstechnicus en in alle opzichten betere omstandigheden''.

Die opvatting heeft als consequentie dat Vloeimans in eigen land minder te zien zal zijn. ,,Nederland is natuurlijk een klein land. De podia hier heb je zo gehad. Ik vind dat ik het aan mezelf verplicht ben om ook over de grens te kijken.''

De uitreiking van de prijs en het concert in het Bim-huis woensdag 20 februari wordt live uitgezonden op radio 4 vanaf 20.00 uur.

www.ericvloeimans.com

`Vroeger was het bij het spelen altijd gaan-als-een-banaan'

`De mensen komen kijken, dus het is niet verkeerd om iets moois aan te trekken'