Europa moet niet meegaan met escalatie van Bush

Waar zijn de Fransen nu we ze nodig hebben. Die gedachte schoot mij door het hoofd toen ik president Bush hoorde praten over `de as van het kwaad'. Bush doelde in zijn State of the Union op drie landen: Irak, Iran en Noord-Korea, die volgens hem het internationale terrorisme steunen en zich toeleggen op de verwerving van massavernietigingswapens. Met die wapens zouden zij het grondgebied en de vooruitgeschoven bases van de Verenigde Staten (willen) bedreigen.

De Fransen lieten niet lang op zich wachten. Minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine sprak van ,,een nieuw soort simplisme dat alle problemen van de wereld terugvoert tot de blote strijd tegen het terrorisme''. De Amerikaanse regering neigt ertoe ,,de mondiale kwesties te benaderen op een unilaterale manier, zonder de anderen te raadplegen, zonder rekening te houden met hun uitleg, met hun belangen''. Verschillende Europese bewindslieden alsmede de Europese commissaris voor buitenlandse betrekkingen vielen Védrine bij.

Het was overigens niet Védrine's eerste correctie op de Amerikaanse aanpak van internationale vraagstukken. Eerder had hij ,,Franse ideeën'' ontwikkeld om het vastgelopen vredesproces in het Midden-Oosten uit het slop te halen. Védrine wil ,,een democratische schok'' teweegbrengen die het probleem zou terugplaatsen in de politiek. Hij meent dit te kunnen bewerkstelligen door het houden van verkiezingen op de Westelijke Jordaanoever opdat de Palestijnen een politieke uitlaat zouden hebben voor hun frustraties anders dan de in een doodlopende straat voerende zelfmoordaanslagen. Vervolgens zou een Palestijnse staat moeten worden geproclameerd waarvan de contouren zouden worden bepaald door onderhandelingen op basis van de resoluties 242 en 338 van de Verenigde Naties.

De Amerikaanse regering bepaalt zich tot het zogeheten Mitchellplan van vorig jaar zomer dat in een deëscalatie-in-stappen voorziet. Zij heeft zich daarenboven neergelegd bij de voorwaarde van de Israëlische regering dat minstens zeven dagen zonder aanslagen moeten verlopen alvorens `Mitchell' in werking kan treden. In de praktijk heeft juist die laatste eis tot de huidige impasse in het vredesproces geleid. Védrine heeft de impasse willen doorbreken. Overigens is zijn voorstel minder origineel dan het lijkt. In zijn jongste boek, Does America Need a Foreign Policy (2001), schrijft Henry Kissinger, voormalig presidentieel veiligheidsadviseur en minister van Buitenlandse Zaken: ,,[...] als onderdeel van een verlengde interim-overeenkomst zou Israël zijn oppositie moeten opgeven tegen de schepping van een Palestijnse staat, anders dan als onderdeel van een finaal akkoord. In plaats daarvan zou het de vestiging van zo'n staat als gelegenheid moeten aangrijpen om de voorwaarden uit te werken voor het naast elkaar bestaan van beide samenlevingen''.

Védrine's kritiek op Amerikaans `simplisme' en zijn voorstel voor het weer op gang brengen van het vredesproces vertonen een logische samenhang. De Franse diplomatie zoekt een uitweg uit de geweldsspiraal die zich aftekent. Zij sluit daarmee aan bij oudere standpunten. Frankrijks deelname aan de Golfoorlog van 1991 was verbonden met de wens, dat na de bevrijding van Koeweit ernst zou worden gemaakt met een regeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict, bron van geweld binnen en buiten de regio. President Mitterrand vroeg aandacht voor dit verlangen in een rede voor de Algemene Vergadering van de VN. In Madrid werd vervolgens een internationale vredesconferentie belegd die weer uitmondde in het zogenoemde Oslo-proces. Na een veelbelovend begin is dit proces verzand geraakt in een tweede intifada en in een reeks van aanslagen en tegenaanslagen die samen honderden slachtoffers hebben gemaakt.

De ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie, afgelopen weekeinde bijeen in het Spaanse Caseres, hebben een kans laten liggen om een gezamenlijk standpunt over de relatie tot de VS te formuleren. Dat viel temeer op omdat de uitspraken van de voorafgaande dagen een zekere eensgezindheid leken te beloven. Weliswaar droeg de bijeenkomst een informeel karakter, maar de urgentie van de door Védrine aangedragen thema's was groot genoeg om er aanleiding in te vinden voor krachtdadige gezamenlijkheid. Nu stelde men zich tevreden met te constateren dat met succes druk op Washington was uitgeoefend om de Palestijnse leider Arafat als gesprekspartner te blijven zien. Wat dat in de praktijk betekent moet worden afgewacht. Tot dusver is geen verandering opgetreden in het standpunt van Israëls premier Sharon, dat Arafat heeft afgedaan en dat Israëls strijd tegen het Palestijnse geweld deel uitmaakt van de `oorlog tegen het internationale terrorisme'.

De Atlantische betrekkingen staan intussen niet alleen onder druk van Europese kant. Amerikaanse volksvertegenwoordigers en regeringswoordvoerders laten zich bij herhaling misprijzend uit over Europa's achterstand op militair gebied. In zoverre is de Amerikaanse kritiek op de NAVO-bondgenoten het spiegelbeeld van de Europese kritiek op Amerika's veronderstelde unilateralisme. De Amerikanen menen dat zolang de Europese geallieerden geen inspanning leveren om de achterstanden in hun bewapening op te heffen, zij ook niet moeten zeuren wanneer naar hun mening niet wordt geluisterd. De jaarlijkse bijeenkomst over strategie in München vorige maand was dan ook een gesprek tussen doven.

In de gegeven omstandigheden hebben de lidstaten van de Europese Unie de grootste moeite om invloed op het Amerikaanse beleid uit te oefenen. Het inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag enkele dagen na de verwoesting van de Twin Towers in New York en een deel van het Pentagon in Washington scheen een nieuw tijdperk in te luiden. Eén voor allen, allen voor één, ook buiten het Atlantische verdragsgebied, klonk als van historische betekenis. Maar toen minister Powell later uitlegde dat hij die plechtige verklaring zag als een menukaart in een restaurant waar hij nog niet had willen reserveren, viel dat de Europese bondgenoten rauw op het lijf. De Verenigde Staten bleken Europa maar zeer beperkt te kunnen gebruiken, als vredesmacht in Afghanistan.

Om te beginnen dienen de lidstaten van de EU nu officieel met één stem te gaan spreken en zich niet te beperken tot vrijblijvende uitspraken in het informele circuit. Washington lijkt zich voor te bereiden op de stap naar de volgende trede van de escalatieladder. Er mag geen misverstand over bestaan dat het die stap alleen maakt.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.