Erasmus van de daken schreeuwen

Een blind date, zo noemt Barber van de Pol de `ontmoeting' met Desiderius Erasmus waarvan ze verslag doet in Lieve Erasmus. Verkeren met een denker. De koppelaar was uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, die wegens het Erasmusjaar 2001 aan twee schrijvers, Van de Pol en Arnon Grunberg, de opdracht gaf ieder een boek te schrijven over Erasmus en het heden, als aanprijzing en rechtvaardiging van de stroom Erasmusuitgaven die het feestjaar met zich meebracht. Want `de belangrijkste Rotterdammer aller tijden' (1469-1536) leeft voort als onderwerp van een bekend standbeeld en naamgever van universiteiten, bruggen en cultuurprijzen, maar hij wordt, zoals Van de Pol schrijft, meer bestudeerd dan gelezen. Om dat te veranderen moet Erasmus weer tot leven worden gebracht, in weerwil van het inmiddels verstreken halve millennium.

De reanimatie van iconen is een klus voor de verbeelding, maar daarmee is niet bepaald hoe die te werk moet gaan. Arnon Grunberg sloeg zijn brug naar Erasmus door de abstractie op te zoeken. In het een halfjaar geleden gepubliceerde boek De mensheid zij geprezen. Lof der Zotheid 2001, houdt hij een Erasmiaans betoog, waarin een soms duivels aandoende advocaat de, naar zijn zeggen, als geen ander beest belasterde mens verdedigt. Het betoog van de advocaat wordt in het heden gehouden en `getuigen' als Cees Nooteboom en filmmaker Carol Reed (The third man) haalt hij aan, maar het thema (de mens, de wereld en de Grote Poppenspeler) is even onveranderlijk als tijdloos. En de vorm is van Erasmus, die daardoor steeds door Grunbergs tekst heen schemert. Dat Grunberg zich inhoudelijk een groter liefhebber van Erasmus' tijdgenoot Machiavelli toont, maakt daarvoor niet uit.

Barber van de Pol heeft zich een ingewikkelder doel gesteld in haar Erasmusboek. Ze wil niet de vorm, maar de man. `Ik wil een mens, geen model' schrijft ze. Zij zoekt Erasmus niet, zoals Grunberg, op in diens eigen terrein, maar ze probeert hem naar haar eigen wereld te halen.

Dat doet ze in Lieve Erasmus op drie manieren: ze schrijft hem brieven, waarin hij wordt bijgepraat (`Ik ben een vrouw, een kletskous, zoals u generaliserend opmerkt over mijn sekse') over de publieke en persoonlijke actualiteit van de laatste tijd. Zoals de geboorte van haar kleinkind, muziek, communisme en nationaal-socialisme, mond- en klauwzeer, ruimtevaart en ook het boek van Grunberg.

Daarnaast bezoekt Van de Pol, samen met de makers van een televisiedocumentaire die dezer dagen wordt uitgezonden, plaatsen als Rotterdam, Florence, Cambridge en Basel, waar Erasmus delen van zijn leven doorbracht en ten slotte neemt ze Erasmus in gedachten mee naar etentjes, de Frankfurter Buchmesse en het Boekenbal. Haar uitgangspunt bij dat alles is het, overigens onder historici veelvuldig betwijfelde `mensen zelf veranderen nauwelijks'. Daarmee hangt ook het voornaamste gevaar van een dergelijke onderneming samen: dat de verbeelding dusdanig met het onderwerp aan de haal gaat dat Erasmus zelf nauwelijks meer te herkennen is.

En er is een tweede, voor de hand liggend gevolg. Van de Pol wordt verliefd op Erasmus: al in de eerste pagina's van Lieve Erasmus heeft ze het over een `ontluikend onstoffelijk liefdesverband' waarin ze met Erasmus verwikkeld is geraakt (zoals dat haar eerder vertalenderwijs al overkwam met Julio Cortázar en Miguel de Cervantes). `Hij is enthousiast, wellevend en, gelukkig, geestig. Hij voert almaar toneelstukjes voor me op en dan moet ik raden wat hij bedoelt. Dat kan hij geweldig goed. Ik wil het van de daken schreeuwen.'

Belangeloos is die verliefdheid natuurlijk niet: Erasmus is voor haar niet alleen een blind date, maar ook een opdracht. Haar verliefdheid is zo een literaire noodzaak, de methode om Erasmus adequaat te kunnen reanimeren. Op de achtergrond speelt overigens nog een ander element mee: een breuk met een `niet-virtuele geliefde' en een verhuizing.

Van de Pols beschrijvingen zijn op hun best – en haar verliefdheid is het overtuigendst wanneer ze trots is op de mate waarin ook anderen haar vent blijken te kennen, zoals de kennis die jarenlang een poster van Erasmus op haar kamer had hangen. Ze zoekt de situaties op die nog het meest gemeen lijken te hebben met Erasmus belevingswereld, zoals etentjes waarop de wereld wordt doorgenomen en waar aandacht is voor dranken en spijzen, zoals ook Erasmus die had. En waar soms ook daadwerkelijk Erasmus' lievelingskostjes worden geserveerd (kip, duif, Bourgogne). En als er dingen gebeuren die voor Erasmus onbegrijpelijk zouden zijn – iedereen begint tijdens het samenzijn met mobiele telefoons te bellen – voelt Van de Pol zichzelf een vreemde. In die passages werkt de methode van Van de Pol, de vijf eeuwen worden overbrugd en de man komt tot leven.

Maar deze liefdesrelatie is eindig. Op driekwart van het boek, op het Boekenbal nota bene, blijkt de belangstelling van de buitenwereld voor haar geliefde tegen te vallen. Ze wil met `de reizende schrijver C.N.' over Erasmus praten, maar dat lukt niet. `Het dringt niet tot hem door. Hij begint almaar over nu, een artikel van hem dat af moet, mijn boek over Cervantes dat hij heeft gekocht, een mooie plek in Spanje waar ik beslist naartoe moet, maar ik heb andere plannen, hoort hij dat niet?' Daar, pratend met N. (in wie Cees Nooteboom dan allang herkend is), realiseert Van de Pol zich waar de sleet op haar relatie is gekomen. Ze lijken te veel op elkaar, op alle Nederlanders. `Wij zijn Erasmus. Diens manier van denken is die van alle Nederlanders'.

Nu is de gedachte van Erasmus als aartsvader van de Nederlandse gematigdheid niet nieuw – Van de Pol vond hem al bij Busket Huet – maar in Lieve Erasmus heeft de overeenkomst een extra, literaire functie: het maakt duidelijk dat het hier uiteindelijk toch op een goede vriendschap gaat uitdraaien. Dadelijk na de scène met Nooteboom beschrijft Van de Pol – die al eerder haar ongemak met Erasmus religieuze opvattingen heeft uitgesproken – haar verbazing over de geringe belangstelling die hij voor muziek heeft, de kunstvorm die bij haar juist de heftigste gevoelens kan oproepen.

Zo eindigt de verkering tenslotte in kalmte, misschien ook wel iets te veel kalmte, want ergens verwacht je na het onstuimige begin van het boek dat het tussen Van de Pol en Erasmus uiteindelijk tot een spectaculaire explosie zal komen, tot haat, nijd en jaloezie, maar dat zit er niet in, volgens Van de Pol door de afstandelijkheid van Erasmus: `Wie hem leest wordt niet teleurgesteld; teleurstelling volgt als je je te veel met hem identificeert en door zijn zachte hand wordt teruggeduwd.' Ergens is dat jammer, omdat de liefde zo niet de climax krijgt die je haar verbeeldingsgewijs zou toewensen. Van de Pol weerstaat die verleiding en kiest voor de middelpuntzoekende kracht die van Erasmus uitgaat. Dat maakt Lieve Erasmus uiteindelijk tot een boek waarin niet zomaar iemand tot leven wordt gewekt, maar Erasmus zelf.

Barber van de Pol: Lieve Erasmus. Verkeren met een denker. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 232 blz. € 20,95