Een zwart hart op de aardbol

,,Om iets te scheppen moet ik een ondergronds leven zoeken, een bunker waar ik zo eerlijk mogelijk over mijn woede en irritatie kan schrijven', zei de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog (1952) drie jaar geleden in een interview met deze krant. ,,De problemen beginnen wanneer je die bunker uitkomt en gaat onderhandelen met je leven', voegde ze er aan toe.

In Krogs sterke nieuwe bundel Kleur komt nooit alleen, hier zojuist verschenen in een tweetalige editie, staat een lang gedicht, `Schrijfode', waarin juist deze worsteling met schrijven en leven op een ontroerende manier wordt verwoord, pláátsvindt:

om te kunnen schrijven moet ik bij mijzelf

binnentreden

door mij te buiten te gaan

ik verlaat het daglicht

de sleur van geconstrueerde stemmen

en ga ondergronds

Een `zelfgevecht', noemt Krog het schrijven, dat nog eens gecompliceerd wordt door de aanwezigheid van dierbaren: `bovengronds/ wacht de man die ik liefheb (-) ruimte die er niet is/ is er niet, zegt-ie.' De geliefde is ondergronds onbereikbaar, maar de dichteres volhardt in haar strijd met zichzelf en de woorden, `wetend dat mijn lichaam mij hierom nooit zal vergeven.' Toch zijn er tunnels van de ene plek naar de andere, en gebeuren er de mooiste dingen:

`ondergronds krijgt de tekst zijn onbevangen vorm/ ik snijd hem voorzichtig bovengronds open/ waar hij mij plotseling onderdompelt in herfst/ helder/ ongedeerd.' Andere keren is de dichteres moe van dit alles, wordt ondergronds `graf', bovengronds `de plek/ waar ik altijd afwezig ben.' Het gedicht eindigt met een hereniging van de geliefden, mogelijk dankzij de `taal' die is `uitgevochten.'

`Schrijfode' is een sleutelgedicht in Kleur komt nooit alleen. Niet alleen is het een apologie voor Krogs poëzie, en een beschrijving van haar werkwijze, het is ook een uitgesproken hoop van wat poëzie vermag. `In het begenadigde woord/ zou je bij elkaar kunnen horen', luidt de op één na laatste strofe van het gedicht. Dat hoopvolle `bij elkaar horen' is een van de belangrijkste thema's in de bundel. Ook is het niet toevallig dat Krog over schrijven denkt als een `plaats': `schrijven/ is ergens thuishoren', dicht ze.

Bij Krog heeft het hart – steeds terugkerend motief – de vorm en kleuren van Afrika, `het vasteland dat als een groot zwart hart op de aardbol drijft'. De meeste gedichten in Kleur komt nooit alleen gaan op een of andere manier over de vraag wat het betekent – fysiek, moreel, spiritueel – om bij Afrika te horen.

De bundel is opgebouwd uit vier afzonderlijke, thematisch samenhangende delen: `Mondweefsel', `Wondweefsel', `Sgraffito' en `Bindweefsel'. `Mondweefsel' bestaat uit `Zes vertellingen uit het Richtersveld', een barre steenwoestijn. Krog laat een aantal bewoners aan het woord: de veeboer, de diamantsorteerder, Mevrouw Farmer uit Eksteenfontein, de stenen zelf. De levendige spreektaal en landelijke onderwerpen maken deze cyclus een genot om te lezen, zonder dat al te pijnlijke waarheden worden aangestipt.

Maar dan slaat Krog hard toe met `Wondweefsel', snoeiharde gedichten over de verschrikkingen die mensen in Afrika elkaar de afgelopen eeuw hebben aangedaan: de concentratiekampen van de Britten, de recente landbezettingen in Zimbabwe, het dagelijkse geweld in de townships (zie kadertje). Nee, denk je, dit wil ik niet lezen, maar het staat er toch, en het wordt nog erger. Het is het poëtische equivalent van Country of My Skull, Krogs al even onverdraaglijke verslag van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.

Recht voor z'n raap zijn ook de liefdesgedichten in `Sgraffito', waarin ook `Schrijfode' staat. Ze zijn veelal naar aanleiding van een schilderij geschreven, en een aantal heeft de problematische, soms wrede verhouding tussen kunstenaar en zijn tot object (want model) gemaakte geliefde als onderwerp. Ten enenmale ongeschikt voor Valentijnsdag, deze liefdesgedichten, en dat pleit voor ze.

Toch spreekt er voortdurend een voorzichtige, kwetsbare hoop uit deze bundel, met name in het laatste deel, `Bindweefsel', een hoop die eigenlijk een morele imperatief is. Na een huiveringwekkend plastisch `klaaglied' over Rwanda dicht Krog in `slaapliedjes voor Ntombizana Atoo':

ik wil dat jij het bent mijn kleintje

die tussen je ribben de trilling voelt dat het

anders moet

dat we moeten waarmaken dat wij wíj zijn

dat wat in ons als Afrikanen zit iets zo

medemenselijks is

zo grondwettig grondig groot is

dat het het vreemde verstand te boven gaat

we zijn wat we zijn omdat wij elkaar

toebehoren.

Krog doelt hier niet alleen op Zuid-Afrika, nee, het is héél het continent waarmee ze zich verbonden voelt. `Wat zal ik degene verafschuwen/ die mij dwingt halsoverkop terug te vluchten naar de blanke/ huid, mij te scharen bij andere blanken omdat ze blank zijn/ blank-zijn als de enige herkomst, uitkomst en doorslag/ te herkennen', schrijft ze woedend over het huidige Zimbabwe onder Mugabe.

Haar verbondenheid met Afrika blijkt nog het duidelijkst in `van lidteken tot rivier', de reeks gedichten waar de bundel mee eindigt, die een reis door het continent beschrijven. Ondanks alle ongemakken – constipatie, Nescafé oploskoffie zonder water, Malinese douanebeambten – die als in een echt vakantieverslag de revue passeren, is het gedicht, net als de cyclus waar de bundel mee opende, vooral een lofzang op de schoonheid van Afrika en de Afrikaanse orale literaire tradities. De verschrikkingen worden even achtergelaten; het gaat hier vooral om een thuiskomst, en het herscheppen van dat thuis:

met een tong als lidteken

schrijven we de grond onder onze voeten

schrijven we de ruimte waarin we ademhalen

in jouw woorden ruik je mens

proef je Afrikaan.

Hoewel Kleur komt nooit alleen dus op het eerste gezicht een nogal breed uitwaaierend scala van onderwerpen, toonsoorten en vormen bestrijkt, blijken de verschillende gedichtenreeksen uiterst zorgvuldig op elkaar afgestemd, subtiel elkaar herhalend en versterkend. Waar ieder afzonderlijk deel van de bundel al een indrukwekkende poëtische prestatie is, kan de som van deze delen niet anders dan een hoogtepunt in Krogs oeuvre worden genoemd.

Antjie Krog: Kleur komt nooit alleen. Vert. Robert Dorsman. Podium, 189 blz. € 17,50