Een simpele kus

Woordspelingen doen het goed in de spreektaal, maar op papier verpoederen ze waar je bij staat. En in poëzie, die je leest met alle zintuigen open, hebben ze het nog moeilijker. Toch heb ik weinig bezwaar tegen woordspelingen. De vraag is niet of het mag, de vraag is of ze het redden. Engelse en Spaanse dichters van 400 jaar geleden waren er meesters in, en geslaagde woordspelingen dwarrelen door het werk van Vroman, Lucebert en jongeren als Ilja Pfeijffer.

In Vlaanderen was het vooral Herman de Coninck die in woordspelingen grossierde van het type `Bos wordt donkerboos' of `het is te waar om mooi te zijn'. De ene keer zijn ze een voltreffer, de andere keer zijn ze op het randje of (zoals in deze twee voorbeelden) over de schreef. Het hangt altijd van de context af.

Bij de eveneens Vlaamse dichter Lut de Block wemelt het van de woordspelingen. In haar zojuist verschenen bundel De luwte van het late middaguur staat bijvoorbeeld: `zoals er geen liefde is in een ultimatum,/ zo is er ook geen ultimatum in de liefde'. Soms zelfs werkt een gedicht er in zijn geheel naar toe, als in `Billet-doux [3]'. In dat gedicht wil iemand zeggen: `ik houd van jou'. Maar iedereen weet dat dat helemaal niet makkelijk is, om dat tegen een ander te zeggen. En in poëzie al helemaal niet, het cliché is in werkelijkheid al onvergeeflijk – in een gedicht is het dodelijk. `Die het nooit gezegd kreeg, wil het je nu wel zeggen –' zo begint het, en via een dergelijke omweg belanden we bij de laatste strofe:

Die het nooit gezegd kreeg, probeert het al

jaren te zeggen:

dat ze, dat ze van, dat ze van plan is je planken te kopen,

dat ze voor je hout wil kopen,

dat ze van je houdt.

In deze regels komt het er eindelijk van. Eerst is het nog `dat ze, dat ze van' en dan wordt het weer uitgesteld. Via de woordspeling hout/ houdt lukt het ten slotte te zeggen waar het op staat (zij het in de derde persoon.). Het is een vreemde tournure. Ik moet bij dat hout aan een doodkist denken, maar dat zegt misschien meer over mij dan over dit verkapte liefdesgedicht.

In vroeger werk van De Block wilden de woordspelingen nog wel eens ontsporen. In de bundel met de woordspelige titel Landziek (1988) schreef ze bijvoorbeeld: `Er was met jou geen land te bezeilen. Dan maar de zee'. Die redt het niet. Overigens hebben de gedichten van Lut de Block in meerdere opzichten iets van Herman de Coninck. Ook bij haar wordt er flink op los geallitereerd. `Eruditie erodeert' heet het ergens, en:

Vrouwen, de gevulde van veertig

zitten in hun vlees als in een

luie canapé. Wulps en weelderig

en weldoorvoed.

Er is veel binnenrijm en springend ritme in deze gedichten en ze zijn van nogal uiteenlopende kwaliteit. Brieven aan Descartes, en andere onzin als de drie dertienregelige verzen die corresponderen met Dantes driedelige Goddelijke Comedie worden afgewisseld met enkel sterke verzen. Een vers met een kussend joods meisje op de Kouter te Gent lijkt te ontsporen door de veel te grote thematiek van de holocaust die er doorheen spookt en ook nog een paar bijbelse geschiedenissen (`Jij Judith, hij Judas. Je as dwarrelt neer'). Maar het komt op zijn pootjes terecht doordat het weer eindigt met een simpele kus op de Kouter. Op het eerste gezicht vliegt een gedicht over een meisje door dreunend rijm en grote woorden uit de bocht:

Laat haar ontdekken dat alle bloed rood is,

dat vrijheid

niet dood is, en grootspraak niet groot is

Maar omdat de grootspraak van deze regels hier tegelijk als zodanig ontmaskerd wordt blijft het vers prachtig op de rails.

Een wisselvallige bundel is De luwte van het late middaguur, in een even wisselvallig oeuvre. Balancerend tussen lyriek en effectbejag, slappe woordspeling en trefzeker beeld word je voortdurend teleurgesteld en verrast. Blijkt ook nog het eerste gedicht gelijk aan het laatste. Instemmend lees ik de slotregels: `Hoe het nu verder moet/ weet niemand, maar dat ze verder moet weet zij alleen.'

Lut de Block: De luwte van het late middaguur. Gedichten.

De Arbeiderspers, 63 blz. € 14,50